
Jurisprudentie
AB0132
Datum uitspraak2000-08-16
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers00-D-255
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers00-D-255
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 16 augustus 2000
Rek.nr. : 00-D-255
Rek.nr. rb.: FA RK 98-8917
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam man],
wonende te [woonplaats man],
verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. W. Taekema,
tegen
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats vrouw],
verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. P.A.M. Perquin.
PROCESVERLOOP
De man is op 14 april 2000 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 16 februari 2000.
De vrouw heeft op 28 juni 2000 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij faxbericht van 11 juli 2000 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de vrouw zijn bij faxbericht van 12 juli 2000 aanvullende stukken ingekomen.
Op 14 juli 2000 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Aldaar heeft de man een draagkrachtberekening en de vrouw een behoefte-berekening in het geding gebracht.
VASTSTAANDE FEITEN
Tussen de partijen staat, voor zover hier van belang, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting het volgende vast.
De partijen zijn op 25 maart 1959 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
Bij vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 1 maart 1989 is tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken. Daarbij is ten laste van de man een alimentatie ten behoeve van de vrouw bepaald ten bedrage van ƒ 3.850,- per maand. Het echtscheidingsvonnis is ingeschreven op 7 april 1989.
Bij beschikking van 20 maart 1991 is de alimentatie ten behoeve van de vrouw op grond van gewijzigde omstandigheden bepaald op ƒ 2.950,- per maand met ingang van 1 januari 1990. Als gevolg van de wettelijke indexering bedroeg de alimentatie met ingang van 1 januari 1999 ƒ 3.595,87.
Bij verzoekschrift aan de rechtbank te Dordrecht, dat daar op 14 december 1998 is ingekomen, heeft de man verzocht, op grond van gewijzigde omstandigheden, de beschikking van 20 maart 1991 te wijzigen in dier voege, dat de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 januari 1999 wordt bepaald op ƒ 443,- per maand.
Bij de bestreden beschikking is bepaald - met wijziging van de beschikking van 20 maart 1991 - dat hij met ingang van 1 januari 2000 een alimentatie ten bedrage van ƒ 1.000,- per maand en met ingang van 2 september 2002 - de datum waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken - van ƒ 443,- per maand zal betalen aan en ten behoeve van de vrouw, en is de verschuldigde alimentatie tot 1 januari 2000 bepaald op hetgeen door de man in feite is betaald danwel op hem is verhaald.
De man is 66 jaar. Hij is opnieuw gehuwd. Zijn huidige echtgenote, die 62 jaar oud is, heeft geen eigen inkomsten. Met ingang van 20 november 1998 ontvangt de man een AOW-uitkering en een aantal bedrijfspensioenen. De AOW-uitkering bedraagt in 2000 ƒ 30.373,66 bruto, inclusief vakantiegeld. Het totaal door de man ontvangen bedrag aan pensioenuitkeringen is thans ƒ 19.823,27 bruto per jaar. Hiervan is - thans - ƒ 5.409,75 bruto voor de vrouw bestemd. Tot 1 januari 1999 beheerde de man de ten tijde van de boedelverdeling aan hem toegescheiden assurantie-portefeuille, waarmee hij in zijn levensonderhoud alsmede dat van de vrouw kon voorzien. De man heeft deze portefeuille op 1 januari 1999 overgedragen voor ƒ 390.084,90. De fiscus heeft de belasting over het als stakingswinst in aanmerking genomen bedrag toegerekend aan het belastingjaar 1998. In verband daarmee heeft de man op 3 juni 2000 een navorderingsaanslag ontvangen over het jaar 1998 ten bedrage van ƒ 166.627, -. Het belastbaar inkomen van de man is in 1999 vastgesteld op ƒ 4.988,-.
De vrouw is 62 jaar. Haar inkomen bestaat uit de van de man ontvangen alimentatie en pensioenaandelen. Zij woont in de voormalig echtelijke woning. Deze woning is haar ten tijde van de boedelverdeling hypotheekvrij, voor een waarde van ƒ 162.000,- toebedeeld. In oktober 1998 heeft de vrouw een flexibel krediet tot een bedrag van ƒ 90.000,- afgesloten, waarvoor zij een hypotheek op haar woning heeft verstrekt. Het bedrag van dit flexibel krediet heeft zij gedeeltelijk opgenomen.
BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen primair dat hij met ingang van 1 januari 1999 alimentatie aan de vrouw dient te betalen van ƒ 94,- per maand, subsidiair dat hij met ingang van 1 januari 1999 alimentatie dient te betalen van ƒ 197,- per maand, meer subsidiair dat hij met ingang van 1 januari 1999 alimentatie aan de vrouw dient te betalen van ƒ 1.000,- per maand, op voorwaarde dat hij een bedrag van ƒ 906,- respectievelijk 803,- per maand, te rekenen vanaf 1 januari 1999 en verhoogd met het in 1999 aan de vrouw teveel betaalde bedrag van ƒ 39.556,-, vermeerderd met 4% rente, van de vrouw zal terugontvangen bij verkoop van haar woning respectievelijk bij haar overlijden; en voorts te bepalen dat zijn alimentatieverplichting aan de vrouw eindigt op 2 september 2002; althans de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie te bepalen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie juist acht.
2. De vrouw verzoekt in het principale appèl de primaire, subsidiaire, meer subsidiaire en verdere verzoeken van de man te verwerpen, en in incidenteel appèl de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen primair dat de man met ingang van 1 januari 2000, in ieder geval tot 2 september 2002, aan haar alimentatie dient te betalen van ƒ 2.300,- per maand (naast voldoening van de pensioenuitkeringen), subsidiair dat de man met ingang van 1 januari 2000, in ieder geval tot 2 september 2002, aan haar alimentatie dient te betalen van ƒ 1.728,- per maand (naast voldoening van de pensioenuitkeringen), althans te bepalen dat de man aan de vrouw een zodanige alimentatie voldoet als het hof in goede justitie juist acht.
3. De behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de periode tot 2 september 2002 staat als niet bestreden tussen de partijen vast. Het hof stelt voorop dat gebleken is dat het inkomen van de man en de vrouw samen niet voldoende is om te kunnen voorzien in de respectievelijke behoeften van de man en van de vrouw, zodat een terugval in hun beider inkomens onvermijdelijk is.
4. Zowel in het principale als in het incidentele appèl is in geschil de draagkracht van de man, zodat het hof deze in onderlinge samenhang zal bezien.
5. Zoals door de man is gesteld en aannemelijk is gemaakt, heeft de man ten tijde van het indienen van het wijzigingsverzoek bij de rechtbank bedoeld, dat hij naast het door hem aan de vrouw uitgekeerde pensioenaandeel ten bedrage van - op dat moment - ƒ 443,- per maand, onvoldoende draagkracht heeft aan haar tevens alimentatie te betalen. Zijn inleidend verzoek had derhalve de strekking, zijn betalingsverplichting aan haar te beperken tot de uitkering van het pensioenaandeel van ƒ 443,- en derhalve de alimentatie ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 januari 1999 op nihil te bepalen. Derhalve dient de draagkracht van de man te worden bezien met inachtneming van de pensioenuitkeringen die hij aan de vrouw verricht.
6. Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de man uit van de in het vorenstaande onder de vaststaande feiten genoemde inkomensgegevens van de man. Evenals de rechtbank neemt het hof het door de man aan de vrouw uit te keren pensioenaandeel in aanmerking door het bruto inkomen van de man te verminderen met dit pensioenaandeel. Tussen de partijen staat, nu zij daarover een overeenkomst hebben gesloten, vastgelegd bij de notariële akte van verdeling van 11 juni 1992, niet ter discussie op welke wijze en voor welk deel de man met de vrouw zijn ouderdomspensioen dient te verrekenen, zodat dit geen bespreking behoeft. De door de vrouw opgeworpen vragen of alle indexeringen op juiste wijze zijn doorberekend en of het deel waarop zij recht heeft over de juiste periode is berekend, kunnen door het hof op grond van de ter beschikking staande gegevens niet worden beantwoord. De vrouw heeft ermee ingestemd in de onderhavige procedure uit te gaan van de pensioenbedragen zoals door de man hierin naar voren gebracht, onder het voorbehoud dat zij deze later nog ter discussie zal stellen.
7. Een van de geschilpunten tussen de partijen is, op welke wijze rekening dient te worden gehouden met het vermogen dat de man heeft verkregen door de verkoop van zijn assurantieportefeuille. Door de man is gesteld en door de vrouw is erkend dat de man in 1999 een alimentatiebedrag van ƒ 39.556,- aan de vrouw heeft betaald. Door de langdurige procedure bij de rechtbank is dat jaar verstreken, zonder dat op het verzoek van de man tot wijziging van het alimentatiebedrag per 1 januari 1999 is beslist. Dientengevolge heeft de man in 1999 en inmiddels ook in 2000 reeds op zijn vermogen ingeteerd, omdat de alimentatie die hij betaalde zijn draagkracht aanzienlijk te boven ging. De rechtbank heeft bij het bepalen van de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw het redelijk geacht, gelet op de wederzijdse draagkracht en behoefte, dat de man op zijn door verkoop van de assurantie-portefeuille verkregen vermogen inteert, niet slechts over 1999, maar ook daarna, totdat de vrouw op 2 september 2002 de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken. Ter zitting is gebleken dat de man vanaf 1 januari 2000 ƒ 1.000,- alimentatie aan de vrouw betaalt, overeenkomstig het door de rechtbank bepaalde. Daarnaast betaalt hij het aan de vrouw toekomende pensioenaandeel. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw, gelet op haar financiële positie, niet dient te worden belast met een terugbetalingsverplichting van het eventueel teveel door de man aan haar betaalde, zodat het hof de alimentatie tot 1 januari 2000 zal bepalen op hetgeen feitelijk door de man is bepaald. Om diezelfde reden zal ook het hof de alimentatie over de periode van 1 januari tot 1 augustus 2000 bepalen op ƒ 1.000,- per maand, ervan uitgaande dat de man daarnaast het aan de vrouw toekomende pensioenaandeel betaalt. Anders dan de rechtbank, is het hof evenwel van oordeel dat van de man redelijkerwijze niet kan worden gevergd dat hij tot 2002 inteert op zijn vermogen om in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien. Allereerst overweegt het hof, dat de man, na aftrek van de belasting van ƒ 166.627,- een restvermogen uit de verkochte portefeuille had van ƒ 223.458,-. Daarnaast heeft hij uit dit vermogen alimentatie aan de vrouw moeten voldoen. Hij heeft in 1999 een totaalbedrag van ƒ 39.556,- aan de vrouw betaald, terwijl zijn inkomen slechts betaling van een zeer laag bedrag toeliet, zodat hij dit bedrag grotendeels heeft betaald door het interen op zijn vermogen. Het hof acht het, zoals door de man naar voren is gebracht, redelijk - met name nu gebleken is dat de draagkracht van de man het door hem betaalde niet zonder meer toeliet, terwijl de vrouw niet met een terugbetalingsverplichting zal worden belast -, in dit bedrag het haar toekomende pensioendeel begrepen te achten, zodat het hof ervan uitgaat dat van dat totaalbedrag, een bedrag van ƒ 5.410,- het haar in 1999 toekomende pensioendeel betreft. De stelling van de vrouw, dat de man een fiscaal voordeel heeft genoten door de alimentatiebetalingen, gaat slechts gedeeltelijk op, aangezien de man over 1999 een laag inkomen had en zijn fiscaal voordeel over 1999 beperkt was. Bezien in het licht van de omstandigheid dat de vrouw bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap de voormalig echtelijke woning heeft toegescheiden gekregen, waarmee zij thans een vermogen bezit van - naar de man heeft gesteld en de vrouw niet heeft betwist - ongeveer ƒ 450.000,-, acht het hof het niet redelijk dat de man nog verder inteert op zijn vermogen - dat daarenboven aanzienlijk kleiner is dan dat van de vrouw - dan hij reeds heeft moeten doen. De omstandigheid dat de vrouw haar vermogen thans niet kan aanspreken en de man het zijne wel, mag er naar het oordeel van het hof niet toe leiden dat de man moet interen en de vrouw niet. Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof er dan ook vanuit, dat niet langer de man, maar de vrouw met ingang van 1 augustus 2000 zal moeten interen op het vermogen - bijvoorbeeld door met het verhogen van het opnemen van het flexibel krediet in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof gaat ervan uit, dat de vrouw dan in haar eigen woning kan blijven wonen. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat beide partijen ongeveer gelijkelijk zullen hebben moeten interen op hun respectievelijke vermogens.
8. Redelijkerwijze dient, naar het oordeel van het hof, bij de bepaling van de draagkracht van de man na 1 augustus 2000, rekening te worden gehouden met de door de man boven zijn draagkracht aan de vrouw betaalde alimentatie. Het rendement op het vermogen dient derhalve niet, zoals de rechtbank doet, over de netto-opbrengst van de assurantieportefeuille te worden bepaald, maar over die opbrengst verminderd met het “teveel” aan alimentatie betaalde. De daarop betrekking hebbende grief van de man, waarin de vrouw zich naar zij stelt kan vinden, slaagt derhalve. Dit “teveel” aan alimentatie betaalde moet, zoals de vrouw stelt, nog worden gecorrigeerd met het belastingvoordeel, maar aangezien het inkomen over 1999 laag was, is dit belastingvoordeel over 1999 ook niet erg hoog. Het hof is voorts van oordeel dat het vermogen van de man niet zodanig hoog is, dat met een rendement van meer dan de gebruikelijke 4% rekening zou moeten worden gehouden, zoals de vrouw stelt. Uitgaande van een restvermogen van ongeveer ƒ 190.000,- bedraagt dit fictieve rendement waarmee rekening wordt gehouden ƒ 7.600,-.
9. Bij de bepaling van de draagkracht houdt het hof daarnaast rekening met de volgende maandelijkse lasten van de man, die in hoger beroep niet in geschil zijn:
- hypotheekrente ad ƒ 603,-;
- hypotheekaflossing ad ƒ 628,-;
- premie ziektekostenverzekering ad ƒ 416,-.
- eigenaarslasten (forfait) ad ƒ 175,-.
Gelet op deze lasten, een arbeidskostenforfait van ƒ 1.073,- en een huurwaardeforfait van ƒ 2.813,- , in samenhang met het in het vorenstaande besprokene, laat de draagkracht van de man - met inachtneming van de gezinsnorm en tariefgroep 3 - toe dat hij met ingang van 1 augustus 2000, naast het aan haar toekomende pensioendeel, alimentatie ten bedrage van ƒ 200,- per maand aan de vrouw betaalt.
10. De man heeft aangeboden, zijn alimentatieverplichting aan te vullen met een lening aan de vrouw tot een bedrag van ƒ 1.000,- per maand, ter overbrugging van de periode tot 2 september 2002, wanneer de vrouw een AOW-uitkering zal gaan ontvangen. Anders dan de vrouw in haar reactie hierop stelt, is het hof van oordeel dat dit aanbod niet getuigt van onwil van de man om voor hetzelfde bedrag alimentatie aan haar te betalen. Zoals in het voorgaande onder 7 is uiteengezet, laat een vermogensvergelijking zien dat het niet redelijk is dat de man definitief inteert op zijn vermogen. Dit neemt niet weg dat het thans voor hem gemakkelijker is dan voor de vrouw om vermogen aan te spreken ter tijdelijke voorziening in het levensonderhoud van de vrouw, waarbij zij wellicht een voor beide partijen aanvaardbare terugbetalingsregeling zouden kunnen treffen. De vrouw heeft gesteld niet op het aanbod van de man te willen ingaan, mede omdat zij hem naar haar inschatting het bedrag van een dergelijke lening niet zou kunnen terugbetalen, zodat het hof dit voorstel van de man verder onbesproken zal laten.
11. Vanaf het moment dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, krijgt zij een AOW-uitkering. Het hof gaat ervan uit, dat de man de door hem bij de boedelscheiding gedane toezegging om het aan de vrouw toekomende pensioenaandeel aan haar door te betalen, zal nakomen. Anders dan de rechtbank voor de periode vanaf 2 september 2002 heeft gedaan, komt het het hof minder juist voor, het doorbetalen van het aan de vrouw toekomende pensioenaandeel, waartoe de man op grond van de overeenkomst tot boedelscheiding is verplicht, in het dictum als een alimentatieverplichting vast te stellen. Dan heeft de vrouw in relatie tot de draagkracht van de man geen behoefte meer aan alimentatie, zodat deze met ingang van 2 september 2002 op nihil zal worden bepaald. De man heeft gevraagd om beëindiging van de alimentatie per 2 september 2002, maar aangezien de man geen wettelijke beëindigingsgronden noemt, gaat het hof ervan uit, dat hij nihilstelling per 2 september 2002 bedoelt.
12. Het bovenstaande betekent dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat het hof als volgt beslist.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw beschik-ken-de:
bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 20 maart 1991 - de alimen-tatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 januari 2000 tot 1 augustus 2000 op ƒ 1.000,- per maand;
bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 augustus 2000 op ƒ 200,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 2 september 2002 op nihil;
bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man tot 1 januari 2000 op hetgeen feitelijk door de man aan de vrouw is betaald;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voor-raad;
wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Koning, Tijnagel en Schuering, bijge-staan door mr. Verkuil als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 16 augustus 2000.
Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste raadsheer, getekend door de jongste raadsheer.