Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0128

Datum uitspraak2000-11-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers199903175/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 199903175/1. Datum uitspraak: 28 november 2000 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: burgemeester en wethouders van Emmen, appellanten, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 30 september 1999 in het geding tussen: de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid ā€œ[bezwaarde] Bedrijven B.V." en ā€œ[bezwaarde] Vleesvee B.Vā€, gevestigd te [vestigingsplaats] en appellanten. 1 . Procesverloop Bij brief van 6 mei 1998 hebben appellanten aan [bezwaarde] Bedrijven B.V. en [bezwaarde] Vleesvee B.V. hun standpunt kenbaar gemaakt over de afwikkeling van de problematiek betreffende de kosten, gemoeid met het opstellen van een landschapsplan en het aanvragen van vergunningen krachtens de Wet milieubeheer. Bij besluit van 10 september 1998 hebben appellanten het daartegen mede namens [bezwaarde] Vleesvee B.V. door [bezwaarde] Bedrijven B.V. gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie rechtsbescherming, kamer bezwaar en beroep, zijn aangehecht. Bij uitspraak van 30 september 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen kennelijk mede namens [bezwaarde] Vleesvee B.V. door [bezwaarde] Bedrijven B.V. ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de raad van de gemeente Emmen (hierna: de raad) op het bezwaar dient te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 4 april 2000 hebben [bezwaarde] Bedrijven B.V. en [bezwaarde] Vleesvee B.V. een memorie ingediend. De Afdeling-heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door J. van der Veen, ambtenaar van de gemeente Emmen, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [bezwaarde] Bedrijven B.V. en [bezwaarde] Vleesvee B.V., vertegenwoordigd door [bezwaarde]. 2. Overwegingen 2.1. Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij onbevoegd waren het bestreden besluit te nemen, treft doel. Het schrijven van [bezwaarde] van 17 februari 1998, waarbij de raad is verzocht om een schadevergoeding, heeft de raad doorgestuurd naar appellanten. Naar aanleiding daarvan hebben appellanten de voormelde, brief van 6 mei 1998 verzonden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bieden tekst noch strekking van deze brief voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat deze moet worden aangemerkt als een brief van of namens de raad. In overeenstemming met het uitgangspunt dat het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen een beslissing neemt op het daartegen gemaakte bezwaar, hebben appellanten het bestreden besluit genomen. Het oordeel van de rechtbank dat de raad had moeten beslissen op het gemaakte bezwaar, is derhalve niet juist. 2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 6 mei 1997, gepubliceerd in AB 1997, 229), is de bestuursrechter slechts bevoegd tot kennisneming van het beroep tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over het beroep tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, is ook geen beroep mogelijk tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van schade die daardoor is veroorzaakt. 2.3. [bezwaarde] Bedrijven B.V. en [bezwaarde] Vleesvee B.V. stellen dat zij de schade, waarvan zij vergoeding hebben verzocht, hebben geleden als gevolg van beslissingen die de raad in. zijn vergadering van 18 december 1997 heeft genomen, met name de vaststelling van de "Notitie Kanalisatie roze golf Emmen" en de "Regeling 1997 (intensieve) agrarische bedrijvigheid voor het grondgebied van de oude gemeente Emmen" en de beslissing dat het bestemmingsplan "Buitengebied" zo spoedig mogelijk wordt gewijzigd en vastgesteld. 2.4. De hiervoor genoemde notitie bevat algemene uitgangspunten en voornemens voor het gemeentelijk beleid betreffende de uitbreidings- en vestigingsmogelijkheden voor intensieve vormen van veehouderij in de gemeente en is niet gericht op enig rechtsgevolg. Zij bevat ook geen beleidsregels, nu de vermelde uitgangspunten niet de uitoefening van een specifieke bestuursbevoegdheid betreffen. Voormelde Regeling en de beslissing om het bestemmingsplan "Buitengebied" te wijzigen kunnen niet anders worden aangemerkt dan als mededeling dat het bestemmingsplan te eniger tijd zal worden herzien en daarin de in de Regeling vermelde wijzigingsbevoegdheden, als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, op te nemen. De Regeling is niet op rechtsgevolg gericht. Dit betekent dat de notitie, de Regeling noch de mededeling dat het bestemmingsplan "Buitengebied" te eniger tijd zal worden herzien, kan worden aangemerkt als besluit, waartegen bij de bestuursrechter beroep kan worden ingesteld. 2.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestuursrechter niet bevoegd was te oordelen over de beslissing op het verzoek om schadevergoeding, zodat daartegen geen bezwaar kon worden gemaakt. Burgemeester en wethouders hebben het gemaakte bezwaar tegen hun brief van 6 mei 1998 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan de vraag of burgemeester en wethouders bevoegd waren een beslissing te nemen op het verzoek om schadevergoeding, wordt niet toegekomen. 2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het door [bezwaarde] Bedrijven B.V. en [bezwaarde] Vleesvee B.V. bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 30 september 1999, in zaak nr. 98 1707 BELEI P07 G02; III. verklaart het door [bezwaarde] Bedrijven B.V. en [bezwaarde] Vleesvee B.V. bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. C.A. Terwee-van Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Langeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Langeveld Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2000 58-251. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,