Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0127

Datum uitspraak2000-08-30
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers99/655 KG
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 30 augustus 2000 Rolnr. : 99/655 KG Rolnr.rb. : 99-715, zaaknr. 118270 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER A r r e s t in de zaak van [naam man], wonende te [woonplaats man], appellant, hierna te noemen: de man, procureur mr. A.M. van Kuijeren tegen [naam vrouw], wonende te [woonplaats vrouw], geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. J.Th. Mulder. HET GEDING Bij exploot van 1 juni 1999 is de man in hoger beroep geko-men van het vonnis van 18 mei 1999, door de president van de recht-bank te Rotterdam tussen de partijen in kort geding, in conventie en in reconventie, gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de president daaromtrent in het be-stre-den von-nis heeft ver-meld. Bij memorie van grieven (met een productie) heeft de man vier grie-ven aangevoerd, die door de vrouw bij memorie van antwoord zijn bestreden. De partijen heb-ben vervolgens hun procesdos-sier aan het hof over-ge-legd en arrest gevraagd. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. De feiten door de president als vaststaand aangenomen zijn met uitzondering van het gestelde onder de hierna te bespre-ken eerste grief in hoger beroep niet bestreden, zodat het hof van deze aldus vaststaande feiten zal uitgaan. 2. In zijn eerste grief bestrijdt de man dat de minderjarigen [naam kinderen] door de man begin augustus 1997 zijn onttrok-ken aan het gezag van de vrouw, zoals door de president als vaststaand aangenomen. 3. De vrijspraak in de strafzaak waarop de man zich beroept betreft slechts het niet bewezen zijn van de onttrekking aan het gezag in Nederland. De man heeft geen belang bij zijn grief gelet op de uitspraak in conventie, terwijl dit feit evenmin van belang is voor het geschil in reconventie. In zoverre kan de grief hem niet baten. Vast-staat evenwel dat te dien tijde de kinderen bij wege van voorlopige voor-zie-ning aan de vrouw waren toever-trouwd en dat bij be-schik-king van 3 december 1997 aan haar het gezag is toegekend over deze kinde-ren, welke beslissing in hoger beroep en in cassatie in stand is geble-ven, terwijl eveneens vast-staat dat die kinde-ren door toe-doen van de man tegen de wil van de vrouw in Marokko zijn achterge-bleven, althans dat de man weigert de kinderen aan de vrouw af te geven, zoals o.m. blijkt uit de overweging van de president in het kort geding vonnis van 16 juni 1998 waarin is weergege-ven hetgeen de man ter terechtzitting dienaangaande heeft ver-klaard en uit zijn houding nadien. 4. Ook het belang van de tweede grief van de man ontgaat het hof. De man wenst de beslissing in conventie, waarbij de vordering van de vrouw is afgewezen, in stand te laten. Indien de president tot het oordeel was gekomen dat het spoedeisend belang ontbrak had dit geleid tot ontzegging van de vordering aan danwel niet ontvankelijkverklaring van de vrouw. De vraag naar de spoedeisendheid beantwoordt het hof evenwel, evenals de presi-dent, bevestigend. De vrouw had in mei 1999 nog steeds een spoedeisend belang te voorkomen dat de man zijn on-rechtma-tig handelen zou voortzetten. Dat de gevraagde voorziening naar het oordeel van de president niet kon worden toegewezen doet aan de spoedeisendheid niet af. 5. De derde grief van de man betreft de reconventie en be-strijdt de weigering van de president de gijzeling op te heffen op 22 mei 1999. Niet blijkt dat toen het verweer is gevoerd dat daarop drie dagen in mindering moesten komen. Bij zijn vonnis van 22 januari 1998 heeft de president in kort geding de vrouw verlof verleend de man in gijzeling te doen stellen voor de duur van maximaal een jaar. De man heeft van deze beslissing geen appel ingesteld. Boven-dien betrof de gijzeling de nako-ming van de beslissing van 3 december 1997, waarbij de vrouw het gezag over de drie jongste kinderen verkreeg. Deze lijfs-dwang is ingegaan op 26 mei 1998, zodat deze conform het vonnis eindigde op 26 mei 1999. De lijfsdwang van drie dagen betrof de verplichting de kinderen aan de vrouw toe te vertrouwen ingevolge de beslis-sing inzake de voorlopige toever-trouwing van de kinderen aan de vrouw, zodat niet van de-zelfde verplichting kan worden ge-sproken. De grief faalt derhalve. 6. De vierde grief richt zich tegen het feit dat de president de proceskosten heeft gecompenseerd. Allereerst merkt het hof op dat in de gedingstukken in eerste aanleg door de man niet ge-vraagd is om veroordeling in de kosten van de vrouw. De kostenveroordelingen die de man zijn opgelegd betroffen de procedure waarbij de man uitvoerbaar bij lijfsdwang is veroor-deeld tot het afgeven van de minderjarigen, en de procedure inzake de vordering tot ophef-fing van de gijzeling. Voor het overige heeft het hof geen kostenveroordelingen aangetroffen. Evenals de rechtbank ziet het hof geen termen de vrouw in de kosten van de eerste instantie te veroordelen. Het hoger beroep faalt dus op alle fronten en het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. De man zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. BESLISSING Het hof: rechtdoende in kort geding, bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep tot deze uitspraak aan de zijde van de vrouw begroot op ¦ 2.000,-, gespecificeerd als volgt: ¦ 300,- griffierecht en¦ 1.700,- aan salaris procureur, te betalen aan de griffier van dit hof die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b Rv.; verklaart dit arrest ten aanzien van de kosten uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs Hehemann, Koning en Schue-ring en uitgesproken ter openbare terechtzit-ting van 30 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.-