
Jurisprudentie
AB0123
Datum uitspraak2001-01-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200000182/1.
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200000182/1.
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad
van State
200000182/1.
Datum uitspraak: 19 januari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de burgemeester van Goes, appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 8 december 1999 in het geding tussen:
[bezwaarde], wonend te [woonplaats]
en
appellant.
1 Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 1998 heeft appellant geweigerd aan [bezwaarde] (hierna: [bezwaarde]) een vergunning te verlenen op grond van de Drank- en Horecaverordening Goes voor de exploitatie van een coffeeshop in het pand [adres 1] te [woonplaats].
Bij besluit van 13 oktober 1998 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 8 december 1999, verzonden op 14 december 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 januari 2000, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 8 juni 2000 heeft [bezwaarde] een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door A.J.A. Jacobs-Melse, ambtenaar der gemeente, en [bezwaarde], bijgestaan door mr J.A.M. Schoenmakers, advocaat te Breda, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Drank- en Horecaverordening Goes is het verboden zonder vergunning van de burgemeester in een besloten ruimte bedrijfsmatig alcoholvrije drank, consumptie-ijs of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken.
Ingevolge artikel 13 van de verordening weigert de burgemeester de vergunning onder meer indien vaststaat of met reden is te vrezen, dat de vestiging van het bedrijf zal leiden tot overconcentratie van horecabedrijven in een straat of buurt, dan wel anderszins ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat tot gevolg zal hebben en daaraan door het opleggen van beperkingen of het geven van voorschriften redelijkerwijs niet voldoende kan worden tegemoet gekomen.
2.2. De vergunningaanvraag strekt tot het mogen exploiteren van een coffeeshop waar, naast de verstrekking van alcoholvrije dranken en dergelijke, verkoop van soft-drugs plaatsvindt.
2.3. Ten aanzien van het al dan niet gedogen van de verkoop van soft-drugs zijn in de op 19 juni 1997 door de gemeenteraad vastgestelde Nota Drugproblematiek Oosterscheldebekken en in de nadere uitwerking daarvan voor de gemeente Goes, beleidsregels vastgesteld en gepubliceerd, waarin is aangegeven onder welke omstandigheden de verkoop van softdrugs zal worden gedoogd. In deze gemeente kan volgens het aldus vastgestelde beleid, met name gezien het inwonertal, de verkoop van soft-drugs in maximaal twee alcoholvrije horeca-inrichtingen worden gedoogd. Voorts is bepaald dat, behalve aan de voorwaarde van het maximum-aantal, dient te worden voldaan aan de voorwaarde dat de vestiginglexploitatie van de coffeeshop het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving niet aantast en dat binnen een afstand van 250 meter loopafstand over de openbare weg van de coffeeshop geen schoolgebouwen of gebouwen van hulpverleningsinsteliingen zijn gevestigd.
2.4 Dit beleid, dat moet worden gezien als een nadere uitwerking van artikel 13 van de Drank- en Horecaverordening, acht de Afdeling met de rechtbank niet onredelijk. Niet gebleken is van gronden waarop appellant dit beleid niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen.
2.5. Bij de beslissing op bezwaar heeft appellant overwogen dat een keuze diende te worden gemaakt uit drie gegadigden, waarvan, ten behoeve van een goede spreiding van de coffeeshops in ieder geval de locatie [adres 2] in aanmerking kwam. De keuze van het pand [adres 1] boven het pand van [bezwaarde] berust blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting voornamelijk op de overweging dat vanuit een oogpunt van voorkoming van overlast aan eerstgenoemde locatie de voorkeur diende te worden gegeven. Daarbij heeft appellant met name belang gehecht aan de aanwezigheid van een groter aantal woningen in de directe omgeving van [adres 2] en de gunstiger ligging van [adres 1] aan een parkeerterrein, een open gebied met minder bebouwing.
2.6. De rechtbank heeft - voorzover hier van belang - overwogen dat, nu appellant kennelijk de directe omgeving van de in aanmerking komende panden in zijn oordeel heeft betrokken, zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom hij zich ter zake heeft beperkt tot woningen en daarbij niet tevens andere voor overlast gevoelige omgevingsfactoren heeft betrokken, zoals voor het publiek toegankelijke of openbare gebouwen en plaatsen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat aan het in geding zijnde gedoogbeleid nadrukkelijk ten grondslag ligt de ongewenste combinatie van soft-drugs en alcohol. In het licht daarvan acht zij niet wel begrijpelijk dat appellant boven het als geheel alcoholvrij pand aan te merken pand van [bezwaarde] heeft gekozen voor het pand [adres 1], waarin, door dezelfde vergunninghouder en onder dezelfde naam, zowel alcohol - in het op de begane grond gelegen café - als soft-drugs - op de eerste verdieping - worden verkocht. Weliswaar zijn de verdiepingen door middel van onder meer separate toegangen van elkaar gescheiden, maar gelet op de overlappende openingstijden valt niet in te zien dat hiermee in optimale zin gestalte wordt gegeven aan de hiervoor bedoelde ongewenste combinatie en de mogelijk daaruit voortvloeiende overlast, aldus de rechtbank.
2.7. De Afdeling onderschrijft dit oordeel niet.
Het uitgangspunt van appellant dat bij de keuze tussen de twee panden primair diende te worden gekeken naar het aantal de in de omgeving aanwezige woningen, aangezien woningen als het meest overlastgevoelig dienen te worden beschouwd, acht de Afdeling niet onredelijk. Ter zitting is komen vast te staan dat het aantal woningen rond het pand van [bezwaarde] groter is dan rond het pand [adres 1]. Niet onaannemelijk is voorts dat aan het pand van [bezwaarde], gezien de ligging daarvan op een hoek van twee woonstraten, vanuit een oogpunt van voorkoming van overlast meer bezwaren kleven dan aan het andere pand, dat is gelegen op een wat meer open locatie, aan een parkeerterrein. Mede in verband hiermede is, naar van de zijde van appellant is verklaard, het gedeelte van de [straat 1] waarin no. [nr 1] is gelegen, in de Leefmilieuverordening Kern Goes als enige locatie in de binnenstad aangewezen voor de vestiging van nachthorecabedrijven.
Het uitgangspunt van appellant dat het feit dat in het pand [adres 1] tevens een café is gevestigd, niet in de weg behoeft te staan aan de bestreden vergunningverlening, acht de Afdeling evenmin onredelijk.
Appellant heeft in dat verband terecht belang gehecht aan het feit dat sprake is van een aparte ingang van het café en een volledige inpandige scheiding tussen de begane grond van het pand en de verdieping, alsook aan de omstandigheid dat, gezien de ligging van dit pand en van het pand van [bezwaarde], de mogelijkheden voor bezoek aan een ander horecabedrijf waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt legio zijn, zodat het optimaliseren van het uitgangspunt van scheiding van het gebruik van alcohol en drugs zou inhouden dat coffeeshops uitsluitend buiten het centrum gevestigd zouden mogen worden.
2.8. Een en ander overziende bestaat geen grond voor het oordeel dat appellant, bij de keuze tussen genoemde twee panden en gelet op het beleid ter voorkoming van aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse, het verzoek van [bezwaarde] om een exploitatievergunning niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen ten gunste van verlening van de vergunning aan de exploitant van het pand [adres 1].
Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant niet onverkort aan het beleid om niet meer dan twee coffeeshops toe te staan, mocht vasthouden.
2.9. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Voorts zal de Afdeling, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 8 december 1999, Awb 98/656;
II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijfstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Zijlstra
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2001
240.
Verzonden: 19 januari 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,