
Jurisprudentie
AB0122
Datum uitspraak2000-07-12
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers113 H 00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers113 H 00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 12 juli 2000
Rek.nummer: 113 H 00
Rek.nr rb.: A. 98-1170
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam vader],
wonende te [woonplaats vader],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. M.H. Samama,
tegen
[naam moeder],
wonende te [woonplaats moeder],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. B. Fresco.
HET GEDING
De ouders hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Na verbreking van deze relatie is geboren [naam kind] op 2 maart 1993.
De moeder heeft op 25 februari 1998 de rechtbank te 's-Graven-hage verzocht te bepalen dat de vader aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam kind] zal dienen te betalen een bedrag van ƒ 750,- per maand, telkens bij vooruit-betaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen voor [naam kind] zal of kan worden verleend.
De recht-bank heeft bij tussenbeschikking van 22 december 1998 onder andere een bloedonder-zoek door een deskundige bevolen, aan welke deskundige de vraag is voorgelegd welke conclusie er aan de hand van haar bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventue-le verwekkerschap van de vader.
Bij beschikking van 23 december 1999 heeft de rechtbank de door de vader met ingang van 1 maart 1998 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam kind] bepaald op ƒ 750,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minder-jarige kan of zal worden verleend.
De vader is van deze beschikking op 16 februari 2000 in hoger beroep geko-men en heeft ver-zocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek om kinderali-mentatie ten behoeve van [naam kind] af te wijzen, althans overeen-komstig de draagkracht van de vader een lagere bijdrage te bepalen.
De moeder heeft op 8 juni 2000 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl inge-diend, waarin zij heeft ver-zocht het verzoek van de man in appèl af te wijzen en de bestreden beschikking met uitzondering van de compensatie van kosten, te bekrachtigen, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure in appèl, en voorts heeft zij in incidenteel appèl verzocht de bestreden beschikking te vernie-tigen voorzo-ver daarbij is bepaald dat iedere partij zijn eigen proceskos-ten draagt, en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg, alsmede in de kosten van de procedure in inci-denteel appèl.
Op 13 juni 2000 heeft het hof een brief met bijlage van de raadsman van de moeder ontvangen.
Op 13 juni 2000 heeft het hof een faxbericht met bijlagen van de raadsvrouwe van de vader ontvangen.
Op 14 juni 2000 heeft het hof een brief met bijlagen van de raadsvrouwe van de vader ontvangen.
Op 14 juni 2000 is de zaak mondeling behandeld.
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Op 8 juni 2000 heeft de raadsman van de moeder een verweer-schrift, tevens houdende incidenteel appèl, ingediend. Bij aangetekend schrijven van het hof van 6 maart 2000 was aan hem medegedeeld dat hij tot 17 april 2000 de gelegenheid had een verweerschrift eventueel met incidenteel appèl in te dienen. Het incidenteel appèl is derhalve te laat ingediend. De moeder dient dan ook niet ontvankelijk te worden ver-klaard in haar inciden-teel appèl.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank aan de vader opgelegd te betalen aan de moeder ten behoeve van [naam kind] een bedrag van ƒ 750,- per maand met ingang van 1 maart 1998. In hoger beroep heeft de vader zich daartegen verzet. Hij heeft [naam kind] niet erkend, doch uiteindelijk wel aangegeven finan-cieel medeverantwoordelijk voor hem te zijn.
2. Hij heeft aangevoerd dat in onderhavig geval niet uitgegaan dient te worden van de inkomens van beide partijen bij de vaststelling van de behoefte van [naam kind].
Naar de mening van de vrouw is de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van [naam kind] terecht uitgegaan van de opgetelde inkomens van beide partijen ten tijde van de verbreking van hun rela-tie.
3. Bij de vaststelling van de behoefte van [naam kind] zal het hof als richtsnoer hanteren het rapport "Kosten van kinderen" van de werkgroep alimentatienormen van de Nederlandse Vereni-ging voor Rechtspraak.
Daarin wordt uitgegaan van het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk. Het hof is van oordeel dat deze term dient te worden inge-vuld in die zin, dat zij betrekking heeft op het gezin waarin het kind wordt geboren. De behoefte van het kind vloeit naar het oor-deel van het hof voort uit de directe omgeving waarin het opgroeit. Maakt de vader van die omgeving geen deel uit en heeft de vader van die omgeving ook nimmer deel uitgemaakt, dan wordt de behoefte bepaald door het netto-inkomen van de moeder ten tijde van de geboorte van het kind dan wel de verbreking van de relatie. In zoverre slaagt het betoog van de vader.
4. Niet weersproken is dat de moeder ongeveer ƒ 11.000,- bruto per maand verdiende ten tijde van de geboorte van [naam kind]. Uit de jaaropgave over 1993 blijkt van een inkomen van ƒ 150.843,-. Een dergelijk bruto inkomen leidt tot een netto inkomen dat hoger dan ƒ 5.000,- per maand ligt. Dit op zijn beurt, leidt tot een behoefte van [naam kind] volgens de tabel "eigen aandeel kosten van kinderen", uit het hiervoor bedoelde rapport "Kosten van Kinderen", van minimaal ƒ 730,- per maand. Gelet op de behoefteberekening die de moeder in het geding heeft gebracht, acht het hof een maandelijkse behoefte van [naam kind] van ƒ 1.000,- redelijk.
5. Vervolgens, en ook daar slaagt het betoog van de vader, is het hof van oordeel dat niet alleen hij financieel verantwoor-delijk is voor [naam kind]. Partijen dienen naar draagkracht bij te dragen in de kosten van [naam kind].
6. De moeder is momenteel arbeidsongeschikt. Zij ontvangt een arbeidsongeschikt-heidsuitkering van het GAK van ƒ 3.219,44 bruto per maand, alsmede een particuliere arbeidsongeschikt-heidsuitkering van Nationale Nederlanden van f 3.657,- per maand. Daarnaast werkt zij - in overleg met het GAK - 6 uur per week voor Randstad, waarmee zij ƒ 1.181,52 bruto verdient. Haar contract met Randstad is onlangs verlengd tot september 2000 en kan eventueel uitgebreid worden tot 12 uur, zo heeft de moeder ter zitting bij het hof verklaard. Zij woont alleen met [naam kind]. Haar bruto hypo-theeklast bedraagt ƒ 2.865,- per maand. Aan eigenaarslasten wordt rekening gehouden met het gebruikelijke bedrag van ƒ 175,- per maand.
7. De vader is alleenstaand. Het hof gaat aan de zijde van de vader uit van een bruto jaarinkomen van ƒ 100.000,-, zulks op grond van de aangifte inkomstenbelasting over 1999. Hij be-taalt onbetwist jaarlijks ƒ 7.500,- rente op schul-den. Het hof houdt voorts rekening met de volgende onbestreden lasten van de vader:
- ƒ 1.311,- kale huur per maand;
- ƒ 203,- garagehuur per maand;
- ƒ 194,- premie ziektekostenverzekering per maand;
- ƒ 1.000,- alimentatie eerdere echtgenote.
De vader meent dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de eigen bijdrage tandartskosten, de colle-gegelden en bijleskosten voor zijn twee meerderjarige dochters uit zijn eerder huwelijk en met de ouderbijdrage.
Met de ouderbijdrage voor [naam kind 1 eerder huwelijk] zal het hof rekening houden, nu het hof van oordeel is dat de vader deze bijdrage voldoende aanne-melijk heeft gemaakt, evenals met het collegegeld voor [naam kind 2 eerder huwelijk]. Van beide betalingen heeft hij afdoende bewijsstukken overgelegd. Voor wat betreft de eigen bijdrage in de tandarts-kosten gaat het hof er van uit dat deze kosten niet ieder jaar worden gemaakt, en dat het om incidentele uitgaven gaat. Het hof zal daarmee geen rekening houden.
8. Gelet op de verhouding van hun inkomsten (de vader heeft op dit moment meer inkomsten dan de moeder) en hun lasten (de vader heeft ook meer lasten dan de moeder), is het hof van oordeel dat zij beiden bij helfte dienen bij te dragen in de kosten van [naam kind], een bijdrage waartoe zij beiden ook de draagkracht hebben.
9. Het voorgaande brengt met zich mee dat de bestreden be-schikking dient te worden vernietigd.
10. Voor een veroordeling van de vader in de proceskosten, zoals de moeder ter zitting bij het hof heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN -HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar incidenteel hoger beroep;
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw be-schik-ken-de:
bepaalt de door de vader aan de moeder te beta-len kin-der-ali-mentatie met ingang van
1 maart 1998 op ƒ 500,- per maand, wat de na heden te verschij-nen termij-nen betreft bij vooruit-beta-ling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoer-baar bij voor-raad;
wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Fockema Andreae-Hartsuiker en de Bruijn- Lückers, bijge-staan door mr. Louwinger-Rijk als griffier, en uitge-sproken ter openbare terecht-zit-ting van 12 juli 2000.