Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0121

Datum uitspraak2000-12-28
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZwolle
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/75375
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / strafrechtelijke detentie / paspoort Het bevel tot bewaring is gegeven in aansluiting op een strafrechtelijke detentie. Vaststaat dat het paspoort van de vreemdeling, dat bij zijn strafrechtelijke detentie door de politie in beslag is genomen, is zoekgeraakt. Uit het beleid van verweerder, neergelegd in de Vc-1994 hoofdstuk A6/9.9, volgt dat voorkomen dient te worden dat vreemdelingen die strafrechtelijk gedetineerd zijn, na expiratie van de straf, krachtens de bepalingen van de Vw in bewaring moeten worden gesteld. Wegens het zoekraken van het authentieke paspoort van de vreemdeling heeft de vreemdelingendienst in casu besloten de vreemdeling in vreemdelingenrechtelijke bewaring te stellen in afwachting van de afgifte van een laissez-passer door de Joegoslavische autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat het zoekraken van het paspoort niet voor rekening en risico van de vreemdeling had mogen komen, zodat de bewaring van 18 december 2000 op onjuiste gronden is bevolen en met ingang van deze datum onrechtmatig dient te worden geacht. Immers, indien de vreemdelingendienst bij de expiratie van de strafrechtelijke detentie op 18 december 2000 wel de beschikking had gehad over het authentieke paspoort van de vreemdeling, zou deze zonder twijfel nog diezelfde dag met behulp van dit paspoort naar Joegoslavië zijn uitgezet. Beroep gegrond. Toekenning schadevergoeding.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE Zittingsplaats Zwolle Vreemdelingenkamer regnr.: Awb 00/75375 VRWET Z CM uitspraak: 28 december 2000 U I T S P R A A K op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 26 van de Vreemdelingenwet, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende: A geboren op [...] 1971 te Vrbas, burger van de Federale Republiek Joegoslavië, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel. Namens de vreemdeling heeft mr. H.B. Boogaart, advocaat te Groningen, op 18 december 2000 beroep ingesteld tegen de bewaring, bevolen op 18 december 2000 en verzocht om toekenning van schadevergoeding. De vreemdeling is, bijgestaan door mr. V.L. van Wieringen, advocaat te Winschoten, die hiervoor in de plaats treedt van mr. Boogaart voornoemd, op 28 december 2000 ter zitting gehoord. Namens de Staatssecretaris van Justitie is drs. E. ten Houten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te Zwolle, verschenen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de bewaring niet op te heffen en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. R E C H T S O V E R W E G I N G E N Het bevel tot bewaring van 18 december 2000 is gegeven, in aansluiting op de strafrechtelijke detentie, nu de uitzetting van de vreemdeling is gelast en omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert, zoals nader in het bevel aangegeven (artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, Vw). De procedure leidend tot en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring zijn in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is derhalve niet op die grond onrechtmatig. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Namens de vreemdeling is -onder meer- aangevoerd dat zijn paspoort dat aan het begin van zijn strafrechtelijke detentie, eind 1996, door de politie in beslag is genomen buiten zijn schuld om zoek is geraakt. Zowel door de vreemdeling als zijn gemachtigde, mr. Boogaart voornoemd, is inmiddels diverse malen contact opgenomen met de vreemdelingendienst teneinde het paspoort te achterhalen. Tot op heden is dit niet succesvol geweest. Voorts heeft de vreemdeling gebeld met zijn familie in Joegoslavië om zijn geboorteakte op te sturen in verband met de aanvraag om afgifte van een Laissez-passer bij de Joegoslavische autoriteiten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu het paspoort is zoekgeraakt, dit weliswaar niet voor rekening en risico van de vreemdeling dient te komen, maar dat met behulp van de identiteitsdocumenten die door de familie van de vreemdeling zijn opgestuurd zeer spoedig een Laissez-Passer zal worden afgegeven door de Joegoslavische autoriteiten. Bovendien is de vreemdeling ongewenst verklaard ex artikel 21 Vw en heeft hij het onderzoek vertraagd, doordat hij aanvankelijk niet mee wilde werken. Eerst na de intrekking van zijn asielverzoek op 8 november 2000 heeft hij blijk gegeven zijn medewerking te willen verlenen. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat het paspoort van de vreemdeling, dat bij zijn strafrechtelijke detentie door de politie in beslag is genomen, is zoekgeraakt. Uit het beleid van verweerder, neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) A6/9.9 volgt dat voorkomen dient te worden dat vreemdelingen die strafrechtelijk gedetineerd zijn, na expiratie van de straf, krachtens de bepalingen van de Vreemdelingenwet (Vw) in bewaring moeten worden gesteld. Wegens het zoekraken van het authentieke paspoort van de vreemdeling heeft de vreemdelingendienst in casu besloten de vreemdeling in vreemdelingenrechtelijke bewaring te stellen in afwachting van de afgifte van een Laissez-Passer door de Joegoslavische autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat het zoekraken van het paspoort niet voor rekening en risico van de vreemdeling had mogen komen, zodat de bewaring van 18 december 2000 op onjuiste gronden is bevolen en met ingang van deze datum onrechtmatig dient te worden geacht. Immers, indien de vreemdelingendienst bij de expiratie van de strafrechtelijke detentie op 18 december 2000 wel de beschikking had gehad over het authentieke paspoort van de vreemdeling, zou deze zonder twijfel nog diezelfde dag met behulp van dit paspoort naar Joegoslavië zijn uitgezet. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van de vreemdeling, in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om hem ten laste van de Staat een schadevergoeding van ƒ 200,-- per dag toe te kennen voor de 4 dagen die hij vanaf 18 december 2000 heeft doorgebracht in een politiecel en ƒ 150,-- per dag voor de 6 dagen die hij vanaf 22 december 2000 heeft doorgebracht in het Huis van Bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van ƒ 1.700,-- zal worden toegekend. Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. B E S L I S S I N G De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden; - kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van ƒ 1.700,--; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. Aldus gewezen door mr. J.E. van den Steenhoven-Drion, in tegenwoordigheid van M.G. den Ambtman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2000. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in artikel 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle. ---------------- Afschrift verzonden: 2 januari 2001 De voorzitter van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van ƒ 1.700,--. Aldus gedaan op 28 december 2000 door mr. J.E. van den Steenhoven-Drion, fungerend voorzitter.