
Jurisprudentie
AB0120
Datum uitspraak2000-11-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers351-H-00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers351-H-00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 15 november 2000
Rek.nummer : 351-H-00
Rek.nr rb. : A. 98-6691
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats vrouw],
verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. W.M.A. der Weduwe-de Groot,
tegen
[naam man],
wonende te [woonplaats man],
verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. R. Janssen-Agsteribbe.
HET GEDING
Bij beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 17 januari 1996 is onder meer bepaald dat de man na echtscheiding aan de vrouw ƒ 1.500,- per maand, en na verkoop van de echtelijke woning ƒ 2.500,- per maand aan alimen-tatie diende te betalen, vermeerderd met indexering.
Op 20 oktober 1998 heeft de man de rechtbank te ‘s-Gravenhage ver-zocht die beschikking in dier voege te wijzigen, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar onderhoud met ingang van 3 april 1996 zal worden bepaald op nihil. De rechtbank heeft bij be-schikking van 23 maart 2000 de alimenta-tie bepaald op ƒ 980,- per maand met ingang van 3 april 1996 tot de datum van verkoop van de voormalige echtelijke woning en vanaf die datum op ƒ 1.350,- per maand en heeft verder bepaald dat de alimentatie
met ingang van 1 januari 1997 ƒ 1.470,- per maand,
met ingang van 1 januari 1998 ƒ 1.760,- per maand en
met ingang van 1 januari 1999 ƒ 1.760,- per maand zal bedragen.
De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep geko-men en heeft ver-zocht de beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de man alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoekschrift, althans hem zijn verzoek te ontzeggen, althans te bepalen dat de wijziging in de te betalen bijdrage eerst met ingang van 1 november 1998 zal gelden, dan wel de bijdrage tot levensonderhoud van de vrouw voor 1996 en 1997 op een hoger bedrag vast te stellen dan in de beschikking van de rechtbank van 23 maart 2000 en te bepalen dat de als gevolg van de te wijzen beschikking teveel betaalde c.q. ontvangen bijdragen tot levensonderhoud tot 1 november 1998 niet zullen kunnen worden teruggevorderd en/of worden verrekend met toekomstige termijnen, kosten rechtens.
De man heeft een verweerschrift tevens incidenteel appel inge-diend waarin hij heeft verzocht het verzoek van de vrouw in hoger beroep af te wijzen en voorts in incidenteel appel de beschikking van de rechtbank te vernietigen en de door hem te betalen alimentatie met terugwerkende kracht met ingang van 17 januari 1996 op nihil te stellen althans op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie meent te behoren.
De vrouw heeft een verweerschrift incidenteel appel ingediend.
Op 8 september 2000 is de zaak mondeling behandeld.
DE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE HOGER BEROEP
De vrouw heeft aangevoerd dat de man niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn inleidende verzoek, nu hij niet aanneme-lijk heeft gemaakt dat de rechtbank in haar beschik-king van 17 januari 1996 bij de vaststelling van de alimentatie van on-juiste gegevens is uitgegaan, dan wel dat de omstandigheden van de partijen zich sindsdien wezenlijk hebben gewijzigd.
Naar het oordeel van het hof kunnen de door de man opgevoerde kosten ter ondersteuning van der partijen zoon [naam kind], die ten tijde van de echtscheidingspro-cedure al ouder was dan 21 jaar, niet als wijzigings-grond worden aangemerkt. Met deze kosten wordt geen rekening gehouden, omdat de man niet verplicht was deze kosten te maken.
Hetgeen de man heeft aangevoerd ten aanzien van gelden die de vrouw over de periode van oktober 1995 tot en met 1996, naar zijn zeggen ten onrechte, van de gezamenlijke rekening van de partijen heeft opgenomen vormt geen grond om de alimentatie te wijzigen, nu dit geen invloed heeft op de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw. Immers, hij heeft niet aanne-melijk gemaakt dat hij hiervoor schulden heeft moeten aangaan, dan wel dat hij het bedrag van tenminste ongeveer ƒ 120.000,- dat hij uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft ontvangen hiervoor niet heeft kunnen gebruiken. Dit geldt evenzeer voor de door hem opgevoerde kosten van juridische bijstand gemaakt in verband met de echtscheidings-proce-dure en eventueel door hem gemaakte herinrichtingskosten.
De noodzaak tot het maken van tandartskosten, autokosten of kosten voor hulp in de huishouding is door de man niet aange-toond. Hierin vindt het hof derhalve geen grond om de alimentatie opnieuw te toetsen. Ook de huur van de man, die lager is dan het bedrag waar de rechtbank in 1996 rekening mee heeft gehouden, is dat niet.
Met de vrouw is het hof van oordeel dat, gelet op haar leeftijd van 52 jaar, haar arbeidsverleden, de rolverdeling tijdens en de duur van het huwelijk en haar opleiding niet aannemelijk is dat de vrouw haar werkzaamhe-den zodanig zal kunnen uitbreiden dat zij geen behoefte meer heeft aan de alimentatie van de man.
DE BEOORDELING VAN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het verzoek van de man in incidenteel appel wordt hier behandeld voor zover zijn grieven in incidenteel appel nog niet in de beoordeling van het principale appel, al dan niet ambtshalve, aan de orde zijn geweest.
Anders dan de man stelt, ziet het hof geen reden om van een hogere huur uit te gaan dan de man werkelijk betaalt.
Niet aannemelijk is geworden dat de rechtbank bij haar beschikking van 17 januari 1996 de hypotheeklasten niet op de juiste wijze in aanmerking heeft genomen. De eisen die de man stelt aan de motivering door de rechtbank dienaangaande zijn, gelet op de aard van de proce-dure, te hoog.
CONCLUSIE
Het hof komt tot de slotsom dat de rechtbank bij haar beschik-king van 17 januari 1996 niet van onjuiste gegevens is uitge-gaan, noch dat de financiële gegevens van de partijen nadien zodanig zijn gewijzigd dat de hoogte van de alimentatiever-plichting aan de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte getoetst dient te worden. Het verzoek in hoger beroep van de vrouw wordt daarom toegewezen en het inleidend verzoek van de man zal alsnog worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschik-ken-de:
wijst het inleidend verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Schuering en Mulder, bijge-staan door mr. Dorhout als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 15 november 2000.