
Jurisprudentie
AB0118
Datum uitspraak2000-11-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers174-H-00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers174-H-00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 15 november 2000
Rek.nummer: 174-H-00
Rek.nr rb. : 98-8196
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam man],
wonende te [woonplaats man],
verzoeker, tevens incidenteel verweer-der in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. J.A. Korver,
tegen
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats vrouw],
verweerder, tevens incidenteel verzoe-ker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. U.W.G. Thöle.
HET GEDING
De man en de vrouw zijn op 27 april 1980 met elkaar gehuwd.
Bij beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 januari 2000 is tussen hen de echtscheiding uitge-sproken, welke op 20 juli 2000 is ingeschreven. Bij die beschikking is onder meer aan de vrouw ten laste van de man, met ingang van de dag dat de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een alimen-tatie toegekend van ¦ 2.500,- per maand. Voorts is het verzoek van de man tot limitering van de alimentatie afgewezen en is de verdeling bevolen van de naar Duits recht bestaande huwelijksgemeen-schap.
De man is van die beschikking op 15 maart 2000 in hoger beroep geko-men. Hij heeft ver-zocht deze te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vorderingen (het hof leest: verzoeken) van de vrouw worden afgewezen, danwel haar hierin niet-ontvankelijk te verkla-ren. Voorts verzoekt de man, voor het geval het hof meent dat hij alimentatie moet betalen, de alimentatie in duur c.q. in hoogte te beperken tot 1 januari 2003, danwel tot een termijn en een bedrag als door het hof te bepalen.
De vrouw heeft op 19 mei 2000 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel inge-diend waarin wordt verzocht de bestreden beschikking, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bekrachtigen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw de door de man aan haar te betalen alimentatie te bepa-len op ¦ 3.500,- per maand.
De man heeft in het incidentele hoger beroep een verweerschrift inge-diend.
Bij het hof zijn op 12 mei 2000 en 22 september 2000 brieven met bijlagen ingekomen van de procureur van de vrouw.
Op 2 oktober 2000 is de zaak mondeling behandeld.
BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP
1. Voor de vaststelling van de feiten verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, en neemt het deze over, voor zover daartegen geen grief is gericht.
2. De man heeft in hoger beroep een aantal grieven geformuleerd die, in onderlinge samenhang bezien, ertoe zouden moeten leiden dat de opgelegde alimentatie op nihil wordt gesteld, dan wel in duur c.q. hoogte wordt beperkt. De vrouw heeft de grieven gemotiveerd betwist en in incidenteel hoger beroep verzocht - kort samengevat - de alimentatie op ƒ 3.500,= per maand vast te stellen, gelet op de verhouding tussen de inkomens van partijen.
3. De behoefte van de vrouw (Het hof rondt bedra-gen af op hele guldens).
De vrouw is 41 jaar oud. De minder-jari-ge zoon van de partijen, [naam kind], 17 jaar, verblijft ongeveer 2 ½ dag per week bij de vrouw, de overige dagen verblijft hij bij de man. Per maand be-draagt haar netto inkomen uit loon ¦ 3.005,= exclusief vakantiegeld en exclusief een dertiende maand. Voorts ontvangt zij een reiskostenvergoeding van ƒ 270,= per maand en bouwt zij spaarloon op van ƒ 145,= per maand.
3.1 De partijen zijn in India met elkaar gehuwd, de vrouw was toen 20 jaar. Aannemelijk is gemaakt dat de vrouw voor haar huwelijk de ‘Higher Secondary School’ heeft afgesloten, en vervolgens voor een driejarige opleiding op de hotelschool heeft gekozen, welke opleiding zij in verband met het huwelijk en het vertrek naar Duitsland reeds na een jaar heeft afgebroken. Ongeveer drie jaar later is [naam kind] geboren. De eerste jaren heeft de vrouw voor de opvoeding van [naam kind] en voor de huishouding gezorgd. Nadat [naam kind] in 1988 naar school ging, heeft de vrouw een toeristenopleiding gevolgd, die zij in 1991 heeft afgesloten. Voordat de vrouw in Duitsland een carrière kon opbouwen, zijn partijen in verband met werkzaamheden van de man voor [naam bedrijf] naar Nederland verhuisd. De vrouw heeft in Nederland gedurende een jaar bij de [naam bedrijf] en vervolgens in deeltijd op het [naam bedrijf] gewerkt. De partijen zijn in februari 1995 gescheiden gaan wonen. De vrouw heeft thans een volledige baan bij [naam bedrijf en woonplaats bedrijf].
3.2 Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het huwelijk en de in het huwelijk aan de vrouw toebedeelde taken een nadelige invloed op haar verdienmogelijkheden hebben gehad. Anders dan de man stelt heeft de vrouw tijdens het huwelijk nauwelijks aan haar carrière kunnen werken en strekten de door haar verrichte werkzaamheden ertoe om de man in de gelegenheid te stellen zijn carrière uit te bouwen. Gelet op bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat nog steeds sprake is van een huwelijks-gerela-teerde behoefte van de vrouw, voortvloeiende uit de lotsverbondenheid tijdens huwelijk.
3.3 Gelet op de levensstandaard tijdens het huwelijk (zo woonden partijen bijvoorbeeld in een gehuurde villa met een huur van ƒ 3.025,= per maand en hadden zij twee auto’s, een BMW en een VW Golf) en de duur van het huwelijk, is het hof van oordeel dat de vrouw, ondanks het feit dat zij objectief gezien met haar inkomsten in eigen levensonderhoud kan voorzien, nog immer behoefte heeft aan aanvullende alimentatie, teneinde de staat te kunnen voeren die zij gewend was toen partijen nog bij elkaar waren en ook nadien. Het hof stelt de behoefte van de vrouw, gelet op de welstand tijdens het huwelijk, in redelijkheid vast op ƒ 2.500,= per maand. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar behoefte ƒ 3.500,= per maand bedraagt. Zo heeft zij in haar behoefte-overzicht ƒ 1.083,= per maand opgenomen voor vakanties, terwijl ter terechtzitting is gebleken dat de partijen jaarlijks veel minder op vakantie gingen dan door de vrouw betoogd. Voorts is in aanmerking genomen dat de vrouw ten tijde van de bestreden beschikking ƒ 2.430,= netto per maand verdiende en thans beduidend meer, ruim ƒ 3.000,= netto per maand, verdient. Het incidentele hoger beroep dient derhalve te worden verworpen.
4. De draagkracht van de man.
De man, 55 jaar, werkt sedert 1992 bij het Europese ruimte-agentschap [naam bedrijf] te Noordwijk. Blijkens de overgelegde salarisspecificaties van januari, februari en maart 2000 bedraagt zijn netto loon gemiddeld ƒ 15.900,= per maand, inclusief een education allowance ten behoeve van [naam kind], een household allowance (buitenland toeslag) en een ziektekostentoelage. Het hof is niet gebleken dat de man daarnaast nog andere emolumenten ontvangt. Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van een draagkrachtloos inkomen gelijk aan de bijstandsnorm voor een eenoudergezin. De ruimte voor het betalen van alimentatie wordt voor 45 % toegerekend aan de vrouw. Hij heeft vanaf februari 1995 gedurende twee jaar een alimentatie aan de vrouw betaald van ƒ 2.500,= per maand. Vervolgens heeft hij ƒ 2.000,= per maand betaald en vanaf november 1999 betaalt hij ƒ 1.500,= per maand. De man heeft met de overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is om de door de rechtbank vastgestelde alimentatie van ƒ 2.500,= per maand te voldoen. Zelfs indien rekening wordt gehouden met een aantal door hem opgevoerde maandelijkse lasten (een groot aantal posten wordt geacht in de bijstandsnorm te vallen, danwel dient de man uit zijn vrije draagkrachtruimte te betalen), dan nog laat zijn draagkracht een alimentatie van ƒ 2.500,= per maand ruimschoots toe.
5. Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden het verzoek van de man om de alimentatieverplichting in duur te beperken heeft afgewezen. Het hof neemt deze gronden hierbij over.
6. Niet in geschil is dat het woonhuis in Bremen op beider naam staat en gezamenlijk eigendom van partijen is. Evenmin is in geschil dat in die zin de verdeling dient te geschieden ten overstaan van een (Nederlandse) notaris van de tussen partijen naar Duits recht bestaande gemeenschap.
7. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, moet worden be-krach-tigd.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders verzocht is.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Hehemann en Labohm, bijge-staan door Lekahena als griffier, en uitgespro-ken ter open-ba-re te-rechtzit-ting van 15 november 2000.