Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0117

Datum uitspraak2000-12-12
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/70083
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / presentatie / zicht op uitzetting / schadevergoeding De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan en zodoende een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak. Zij neemt hierbij in overweging dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de eerder gedane toezegging om de vreemdeling in de loop van week 40 te horen en hem in de gelegenheid te stellen het formulier ter verkrijging van een laissez-passer in te vullen. Pas in week 44, namelijk op 1 november 2000, heeft een gehoor plaatsgevonden en is het formulier ter verkrijging van een laissez-passer ingevuld. De rechtbank acht deze handelwijze onvoldoende voortvarend, te meer nu niet is komen vast te staan dat de vreemdeling in de periode vanaf zijn inbewaringstelling tot week 44, reeds eerder gehoord is geworden door de vreemdelingendienst omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Het feit dat ook in week 40 geen tolk in de Chinese taal beschikbaar was, zoals door verweerder naar voren is gebracht, en zodoende het verhoor pas in week 44 heeft plaatsgevonden, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van verweerder, mede gelet op de namens verweerder gedane toezegging terzake bij de behandeling van het eerste beroep. De rechtbank is van oordeel dat de vreemdeling uiterlijk op de laatste werkdag van week 40, zijnde 6 oktober 2000, had moeten worden gehoord door de Vreemdelingendienst en in de gelegenheid had moeten worden gesteld een laissez-passerformulier in te vullen. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de bewaring van de vreemdeling onrechtmatig is geworden met ingang van 9 oktober 2000, zijnde de eerste gewone werkdag in week 41. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen over de periode van 9 oktober 2000 tot en met 26 november 2000. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het matigen van de schadevergoeding rechtvaardigen. Het feit dat de vreemdeling illegaal in Nederland heeft verbleven en dat hij illegaal in Nederland heeft gewerkt, leveren naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden op om het bedrag te matigen. De rechtbank heeft hierbij mede in overweging genomen het feit dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en deswege de bewaring ambtshalve heeft opgeheven. Beroep gegrond, toekenning schadevergoeding.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, enkelvoudig __________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 34a Vreemdelingenwet __________________________________________________ Reg.nr : AWB 00/70083 VRWET Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling, gemachtigde mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. H.H.R. Bruggeman, ambtenaar ten departemente. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 2000 en de Chinese nationaliteit te hebben. Op 31 augustus 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet (Vw). 2. Bij uitspraak van 5 oktober 2000 heeft deze rechtbank het beroep inzake opheffing van de bewaring ongegrond verklaard. Op 7 november 2000 heeft de vreemdeling opnieuw tegen de vrijheidsbenemende maatregel beroep ingesteld en tevens verzocht om schadevergoeding. 3. Op 27 november 2000 heeft verweerder ambtshalve de bewaring opgeheven. 4. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 28 november 2000. De gemachtigde van de vreemdeling is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II. OVERWEGINGEN 1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig reeds - in rechte onaantastbaar - is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 5 oktober 2000. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of verdere voortzetting van de bewaring tot de opheffing hiervan op 27 november 2000, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is. 2. Uit het verhandelde ter zitting alsmede de gedingstukken blijkt dat de vreemdeling op 1 november 2000 door de Vreemdelingendienst is gehoord ter verkrijging van informatie omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Voorts heeft hij op die datum een formulier ter verkrijging van een laissez-passer ingevuld ten behoeve van de Chinese autoriteiten. Het formulier is door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), district Noord-West, afdeling Toezicht & Terugkeer op 14 november 2000 ontvangen en doorgestuurd naar de IND, district Zuid-West, afdeling Toezicht & Terugkeer. Het feit dat het formulier door die afdeling van de IND nimmer is ontvangen, vormde voor verweerder aanleiding de bewaring van de vreemdeling op 27 november 2000 op te heffen. Bij schrijven van 27 november 2000 heeft verweerder de gemachtigde van de vreemdeling medegedeeld dat hij de bewaring vanaf 14 november 2000 onrechtmatig acht en aanleiding ziet tot het betalen van een schadevergoeding ten bedrage van 13 x f. 75,- = f. 975,-, en tot het vergoeden van de proceskosten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder met betrekking tot het berekende schadevergoedingsbedrag uitleg gegeven. Zij heeft aangegeven dat in het algemeen, nadat het formulier voor het verkrijgen van een laissez-passer door de vreemdeling is ingevuld, een termijn van twee weken wordt aangehouden voor het verzenden van het formulier aan de ambassade van het land van herkomst van de vreemdeling. Aangezien in het onderhavige geval de vreemdeling het formulier op 1 november 2000 heeft ingevuld en het formulier op 14 november 2000 nog niet aan de Chinese autoriteiten was toegezonden, acht verweerder de bewaring vanaf laatstgenoemde datum onrechtmatig. De reden van het matigen van de hoogte van de schadevergoeding is volgens de gemachtigde van verweerder gelegen in de omstandigheden dat de vreemdeling sinds 1995 illegaal in Nederland heeft verbleven, illegaal in Nederland heeft gewerkt en reeds eerder in bewaring heeft verbleven. Voorts heeft de vreemdeling geen medewerking verleent om de voortgang van het onderzoek te bespoedigen. 3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting aangevoerd dat de vreemdelingbewaring reeds vanaf 7 oktober 2000 onrechtmatig is geweest en dat vanaf die datum schadevergoeding dient te worden toegekend. Verweerder heeft zich immers niet gehouden aan de eerder gedane toezegging om de vreemdeling in de loop van week 40 in de gelegenheid te stellen het formulier ter verkrijging van een laissez-passer in te vullen. Dit heeft pas plaatsgevonden in week 44, namelijk op 1 november 2000. Voorts acht de gemachtigde van de vreemdeling geen termen aanwezig voor het matigen van de hoogte van de schadevergoeding tot de helft van het bedrag. De gemachtigde kan de redenering van de gemachtigde van verweerder dat een vreemdeling die reeds een aantal jaren illegaal in Nederland verblijft minder recht heeft op schadevergoeding, niet volgen. 4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan en zodoende een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak. Zij neemt hierbij in overweging dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de eerder gedane toezegging om de vreemdeling in de loop van week 40 te horen en hem in de gelegenheid te stellen het formulier ter verkrijging van een laissez-passer in te vullen. Pas in week 44, namelijk op 1 november 2000, heeft een gehoor plaatsgevonden en is het formulier ter verkrijging van een laissez-passer ingevuld. De rechtbank acht deze handelwijze onvoldoende voortvarend, te meer nu niet is komen vast te staan dat de vreemdeling in de periode vanaf zijn inbewaringstelling tot week 44, reeds eerder gehoord is geworden door de Vreemdelingendienst omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Het feit dat ook in week 40 geen tolk in de Chinese taal beschikbaar was, zoals door de gemachtigde van verweerder naar voren is gebracht, en zodoende het verhoor pas in week 44 heeft plaatsgevonden, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van verweerder, mede gelet op de namens verweerder gedane toezegging terzake bij de behandeling door de rechtbank van het eerste beroep. De rechtbank is gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat de vreemdeling uiterlijk op de laatste werkdag van week 40, zijnde 6 oktober 2000, had moeten worden gehoord door de Vreemdelingendienst en in de gelegenheid had moeten worden gesteld een laissez-passer-formulier in te vullen. 5. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de bewaring van de vreemdeling onrechtmatig is geworden met ingang van 9 oktober 2000, zijnde de eerste gewone werkdag in week 41. 6. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen over de periode van 9 oktober 2000 tot en met 26 november 2000. Dit betreft 49 dagen. De rechtbank is echter, in tegenstelling tot verweerder, van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die het matigen van de schadevergoeding rechtvaardigen. Het feit dat de vreemdeling illegaal in Nederland heeft verbleven en dat hij illegaal in Nederland heeft gewerkt, leveren naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden op om het bedrag te matigen. De rechtbank heeft hierbij mede in overweging genomen het feit dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en deswege de bewaring ambtshalve heeft opgeheven. De rechtbank kent dan ook een schadevergoeding toe, ten bedrage van: 49 x f. 150,- = f. 7350,-. 7. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f. 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f. 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank. III. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage: RECHT DOENDE: 1. verklaart het beroep gegrond; 2. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f. 7350,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank; 3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f. 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden. IV. RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing op een verzoek om schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2000 in tegenwoordigheid van de griffier S.J.W. Stort. afschrift verzonden op: