Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0116

Datum uitspraak2001-01-16
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001526/1.
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 200001526/1. Datum uitspraak: 16 januari 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: burgemeester en wethouders van Den Haag, appellanten, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 23 februari 2000 in het geding tussen: [bezwaarde], wonend te [woonplaats] en appellanten. 1 . Procesverloop Bij besluit van 28 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders [bezwaarde] (hierna: [bezwaarde]) op straffe van bestuursdwang aangeschreven de gerealiseerde wijziging in de voorgevel van het pand aan de [adres] te [woonplaats], bestaande uit het plaatsen van dubbel glas gevat in een kunststof omlijsting in de oorspronkelijke houten kozijnen, ongedaan te maken. Bij besluit van 22 septemeber 1998 hebben zij het daartegen door [bezwaarde] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie beroep- en bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht. Bij uitspraak van 23 februari 2000, verzonden op 25 februari 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [bezwaarde] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 26 juni 2000 heeft [bezwaarde] van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2000, waar [bezwaarde] in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mevrouw mr. Y. Nass, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, van die wet geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk, met dien verstande dat die veranderingen geen betrekking hebben op de draagconstructie van het bouwwerk, geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt en het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd. 2.2. Burgemeester en wethouders betogen tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vervanging door [bezwaarde] van oude houten kozijnen door kunststof kozijnen in de voorgevels van het pand [adres] als een verandering van niet-ingrijpende aard in de zin van voormelde bepaling, nu deze geen substantiƫle en ingrijpende inbreuk op de omgeving tot gevolg heeft. Dat de nieuwe kozijnen, naar burgemeester en wethouders stellen, afbreuk doen aan de dieptewerking, die de oorspronkelijke kozijnen aan het gevelbeeld verlenen en die kenmerkend is voor de architectonische stijl waarin deze buurt is opgetrokken, is daarvoor niet voldoende. Daargelaten de door burgemeester en wethouders gestelde bijzondere architectonische betekenis van het betrokken gedeelte van de [straat], is met name uit de overgelegde foto's gebleken dat in dat gedeelte reeds zoveel inbreuken op de oorspronkelijke bouwstijl gerealiseerd zijn, dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat de vervlakking van het gevelbeeld die uitgaat van de nieuwe kozijnen een substantiƫle en ingrijpende inbreuk op de bestaande omgeving vormt. Het gevoerde "kozijnenbeleid", dat van toepassing is op vergunningplichtige kozijnvervangingen, kan geen aanknopingspunten bieden voor de beantwoording van de vraag, wanneer voor zulke vervangingen bouwvergunning is vereist. 2.3. Uit het vorenstaande volgt dat voor de aangebrachte gevelwijziging geen bouwvergunning was vereist. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat burgemeester en wethouders [bezwaarde] niet op de voet van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet konden aanschrijven, als zij hebben gedaan. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 2.5. Burgemeester en wethouders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt burgemeester en wethouders van Den Haag in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van f 710,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Den Haag aan appellant te worden betaald. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Haan Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2001 27. Verzonden: 16 januari 2001. Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,