Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0113

Datum uitspraak2000-12-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/71278
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / staandehouding / Norfolk Line. De vreemdeling werd aangehouden in een voor uitreis naar Engeland gereedstaande container en kon desgevraagd geen documenten overleggen waaruit zijn identiteit kon blijken. Derhalve was de verbalisant op grond van artikel 19 Vw bevoegd hem staande te houden. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt dat de vreemdeling zich bevond in een verzegelde container. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de vreemdeling op een ander terrein dan bij de Norfolk Line te Scheveningen in de container is gestapt. Dit laat onverlet dat er zich wellicht nog andere onbevoegden op het voornoemde terrein bevonden. Beroep ongegrond.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, enkelvoudig __________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 34a Vreemdelingenwet __________________________________________________ Reg.nr : AWB 00/71278 VRWET Inzake: A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel, hierna te noemen de vreemdeling, gemachtigde mr. A.G. Kleijweg, advocaat te 's-Gravenhage tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. M.C.G.G. van Hoek, ambtenaar ten departemente. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1965 en de Turkse nationaliteit te hebben. Op 7 november 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw). Op 16 november 2000 heeft verweerder de vreemdeling vervolgens met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in bewaring gesteld nadat de vreemdeling op dezelfde dag zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. 2. Op 20 november 2000 heeft de vreemdeling tegen de vrijheidsont-nemende maatregel beroep ingesteld en daarbij tevens verzocht om toekenning van een schadevergoeding. 3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 30 november 2000. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig dhr. I Celik, tolk in de Turkse taal. II. OVERWEGINGEN 1. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onderhavige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. 2. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de aanhouding die plaatsvond op het terrein van Norfolk Line op onrechtmatige wijze is geschied. De vreemdeling bevond zich tezamen met anderen in een verzegeld aangevoerde container. De gemachtigde stelt niet te begrijpen waarom de marechaussee juist die container heeft gecontroleerd. De stelling dat er onbevoegden op het terrein waren gesignaleerd voldoet naar zijn mening niet, gelet op de verzegeling van de container. Voorts voert de gemachtigde van de vreemdeling aan dat zijn cli‰nt meteen een asielverzoek heeft ingediend nadat hij zich op Nederlandse bodem had begeven. Er is daarom aanleiding de vreemdeling te plaatsen in een Opvangcentrum zodat hij op reguliere wijze zijn asielaanvraag kan afwachten. De maatregel van bewaring is tenslotte in casu naar de mening van de gemachtigde een te zwaar middel. De gemachtigde verzoekt de bewaring op te heffen. 3. Namens verweerder is aangevoerd dat uit het proces-verbaal van staandehouding van de vreemdeling blijkt dat er voorafgaand daaraan melding is gemaakt door de veiligheidsfunctionaris van de Norfolk Line te Scheveningen dat onbevoegden zich bevonden op het afgesloten terrein. Met behulp van speurhonden werden verscheidene personen aangetroffen in een verzegelde container. Aangezien voornoemde personen zich bevonden in een situatie die te maken kon hebben met een illegale doorreis of mensensmokkel was er sprake van concrete aanwijzingen van illegaal verblijf en zijn zij staande gehouden. Gelet op de omstandigheid dat de vreemdeling eerst om toelating als vluchteling heeft verzocht na zijn aanhouding is er geen aanleiding hem onder te brengen in een AC/OC. 4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen uit het proces-verbaal van staandehouding waren er voldoende concrete aanwijzingen dat de vreemdeling illegaal in Nederland verbleef. Immers, de vreemdeling werd aangehouden in een voor uitreis naar Engeland gereedstaande container en kon desgevraagd geen documenten overleggen waaruit zijn identiteit kon blijken. Derhalve was de verbalisant op grond van artikel 19, eerste lid, Vw bevoegd hem staande te houden ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Met betrekking tot de eerstgenoemde grief constateert de rechtbank dat uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt dat de vreemdeling zich bevond in een verzegelde container. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de vreemdeling op een ander terrein dan bij de Norfolk Line te Scheveningen in de container is gestapt. Dit laat onverlet dat er zich, zoals ook in dat proces-verbaal vermeld wellicht nog andere onbevoegden op het voornoemde terrein bevonden. De grief met betrekking tot de verzegelde container treft derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen doel. 5. De rechtbank is voorts van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdeling, wiens uitzetting is gelast, op een juiste grondslag berust. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. Gebleken is voorts dat verweerder tijdig nadat de vreemdeling zijn aanvraag om toelating had ingetrokken en zijn uitzetting was gelast de grondslag van het bevel tot bewaring dienovereenkomstig heeft aangepast. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestond om een lichter middel toe te passen. Aangezien het asielverzoek pas is ingediend nadat de vreemdeling illegaal was aangetroffen op het terrein van Norfolk Line te Scheveningen hoefde de vreemdeling, ten tijde van zijn asielaanvraag, niet naar een AC/OC gestuurd te worden. 6. De rechtbank is tevens van oordeel dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat en dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Op 23 november 2000 is de vreemdeling gepresenteerd bij de autoriteiten van Turkije. Er is vooralsnog geen grond om aan te nemen dat dit onderzoek geen positief resultaat zal hebben. 7. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. 8. Het beroep is derhalve ongegrond. De bewaring wordt niet opgeheven. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen. 9. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken. III. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage: RECHT DOENDE: 1. Verklaart het beroep ongegrond; 2. wijst het verzoek om schadevergoeding af. IV. RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. Aldus gedaan door mr. J. Drop en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2000, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier. afschrift verzonden op: