Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0112

Datum uitspraak2000-11-03
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/66891
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / schriftelijke machtiging Verweerder stelt vast dat het beroepschrift is ingediend drie dagen nadat de vreemdeling is uitgezet naar China. Verweerder stelt te twijfelen of de vreemdeling daadwerkelijk opdracht heeft gegeven voor het instellen van het beroep en verzoekt de gemachtigde van de vreemdeling de schriftelijke machtiging over te leggen. Bij gebreke daarvan zou het verzoek om schadevergoeding, volgens verweerder, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De rechtbank merkt op dat zij ingevolge het bepaalde in artikel 8:24 derde lid Awb, niet gerechtigd is een machtiging te verlangen van advocaten. Voor een niet-ontvankelijkverklaring ziet de rechtbank dan ook geen grond. Beroep ongegrond.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Vreemdelingenkamer __________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 34a Vreemdelingenwet __________________________________________________ Reg.nr : AWB 00/66891 VRWET Inzake : A, verblijfplaats onbekend, hierna te noemen de vreemdeling, gemachtigde mr. W.A.E.M. Amesz, advocaat te Rotterdam tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde dhr. A.E.J.I. Kuhlmann, ambtenaar ten departemente. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1968 en de Chinese nationaliteit te hebben. Op 6 augustus 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet (Vw). 2. Bij uitspraak van 24 augustus 2000 (00/8989 VRWET) heeft deze rechtbank het beroep inzake opheffing van de bewaring ongegrond verklaard. 3. Op 25 augustus 2000 heeft de vreemdeling zijn asielverzoek ingetrokken. Op 3 oktober 2000 heeft verweerder de bewaring ambtshalve opgeheven en de vreemdeling uitgezet naar China. 4. Op 6 oktober 2000 heeft de gemachtigde van de vreemdeling opnieuw beroep ingesteld. Namens de vreemdeling is het beroep beperkt tot het verzoek om schadevergoeding voor iedere dag dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. 5. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 2 november 2000. De vreemdeling is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II. OVERWEGINGEN 1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig reeds - in rechte onaantastbaar - is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 24 augustus 2000. Thans dient nog beoordeeld te worden of de voortduring van de inbewaringstelling rechtmatig heeft plaatsgevonden en zo nee, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 34j Vw toe te kennen. 2. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de vreemdeling op 25 augustus 2000 zijn asielverzoek had ingetrokken. Desalniettemin heeft verweerder pas op 3 oktober 2000 de uitzetting geƫffectueerd. De gemachtigde is van mening dat verweerder onvoldoende voortvarendheid heeft betracht en verzoekt derhalve om toekenning van een schadevergoeding over de periode van 25 augustus 2000 tot 3 oktober 2000. Voorts stelt de gemachtigde van de vreemdeling dat de gang van zaken, vermeld in het proces-verbaal van verhoor van 25 augustus 2000, ontoelaatbaar moet worden geacht. Hij is van mening dat hij op de hoogte zou moeten zijn gesteld van het feit dat de vreemdeling overwoog zijn asielverzoek in te trekken. 3. Namens verweerder is aangevoerd dat nergens in de wet staat vermeld dat een advocaat aanwezig dient te zijn indien een vreemdeling zijn asielverzoek intrekt. De suggestie dat er enige druk werd uitgeoefend op de vreemdeling met betrekking tot het intrekken van zijn asielverzoek wijst verweerder van de hand. Het verzoek is op eigen initiatief van de vreemdeling ingediend en vervolgens op correcte wijze door de Vreemdelingendienst afgehandeld. Voorts stelt verweerder vast dat het beroepschrift is ingediend op 6 oktober 2000, drie dagen nadat de vreemdeling is uitgezet naar China. Verweerder stelt te twijfelen of de vreemdeling daadwerkelijk opdracht heeft gegeven voor het instellen van het beroep en verzoekt de gemachtigde van de vreemdeling de schriftelijke machtiging over te leggen. Bij gebreke daarvan zou het verzoek om schadevergoeding, volgens verweerder, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. 4. Met betrekking tot laatstgenoemde stelling van verweerder merkt de rechtbank op dat zij ingevolge het bepaalde in artikel 8:24 derde lid Awb, niet gerechtigd is een machtiging te verlangen van advocaten. Voor een niet-ontvankelijkverklaring ziet de rechtbank dan ook geen grond. 5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk was gegaan. Nadat de vreemdeling zijn asielverzoek op 25 augustus 2000 had ingetrokken is hij terstond gepresenteerd bij de autoriteiten van China. Op 3 oktober 2000 hebben de Chinese autoriteiten een laissez-passer verstrekt en is de vreemdeling vervolgens op dezelfde dag uitgezet naar China. De rechtbank is van oordeel dat het niet aan verweerder is te wijten, dat de Chinese autoriteiten enige tijd nodig hadden om tot afgifte van een laissez-passer over te gaan. 6. Met betrekking tot de grief dat niet is uit te sluiten dat de vreemdeling onder enige dwang zijn asielverzoek heeft ingetrokken, overweegt de rechtbank dat er onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat de verklaringen niet vrijwillig zijn afgelegd. 7. Niet is gebleken dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. 8. Het beroep is derhalve ongegrond. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen. 9. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken. III. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage: RECHT DOENDE: 1. verklaart het beroep ongegrond; 2. wijst het verzoek om schadevergoeding af. IV. RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voor zover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voor zover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. Aldus gedaan door mr. M.J. van der Ven en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2000, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier. afschrift verzonden op: