
Jurisprudentie
AB0110
Datum uitspraak2001-01-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200002106/1.
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200002106/1.
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad
van State
200002106/1.
Datum uitspraak: 19 januari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant 1] te [woonplaats 1], en [appellant 2], wonend te [woonplaats 2, handelend onder de naam Aspergekwekerij Gebroeders [appellant], appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 maart 2000 in het geding tussen:
appellanten
en
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
1 . Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 1995 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) afwijzend beslist op een aanvraag van appellanten om een bijdrage op de voet van de Bijdrageregeling landbouwbedrijven overstromingschade 1995 (Stcrt. 1995, 45, zoals nadien gewijzigd, hierna: de Regeling).
Bij besluit van 29 april 1997 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 1998 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt.
De minister heeft, gevolg gevende aan de uitspraak van de rechtbank, op 10 augustus 1998 een nieuw besluit genomen. Daarbij is het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 1995 wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 maart 2000, verzonden op 22 maart 2000, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2000, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 mei 2000. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 10 augustus 2000 heeft de minister een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2000, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.C.M. Borman-Nijman, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling verstrekt de minister op aanvraag een bijdrage, bestaande uit een tegemoetkoming in de op landbouwbedrijven, gelegen in het schadegebied, opgetreden schade die is veroorzaakt door de hoge waterstanden of overstromingen van de grote rivieren in januari en februari 1995 of de daarmee in verband staande evacuatie.
2.2. Appellanten exploiteren in het stroomgebied van de in de Maas afwaterende rivier de Aa een bedrijf waarin aspergeplanten worden geteeld.
Zij hebben verzocht om vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden doordat in 1995 op één van hun percelen de oogst is mislukt.
Volgens appellanten is de hoge waterstand van de Maas daarvan de oorzaak geweest.
Het geding spitst zich toe op de vraag of causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de hoge waterstand van de Maas.
2.3. Uit de door het waterschap de Aa bij brief van 10 november 1998 aan de minister verstrekte inlichtingen moet worden afgeleid dat geen direct verband bestaat tussen de waterstand van de Maas en de hoge waterstand in de afwateringskanalen in de omgeving van het perceel van appellanten. De oorzaak daarvan is veeleer gelegen in de bovenmatige regenval in december 1994 en januari 1995 in combinatie met de reeds bestaande hoge grondwaterstand in het stroomgebied van de Aa en het relatief hoog gemiddeld grondwaterpeil van het perceel van appellanten. Op grond van de gegevens van het waterschap is voorts aannemelijk dat die omstandigheden eveneens de oorzaak zijn van de stijging van het grondwaterpeil van het perceel van appellanten. Dat die stijging geen direct verband houdt met de waterstand van de Maas blijkt ook uit de omstandigheid dat de hoogste waterstand van de Aa is opgetreden op 30 januari 1995, terwijl de Maas eerst op 2 februari 1995 haar hoogste waterstand bereikte. De door appellanten overgelegde verklaringen van tuinders in het desbetreffende gebied geven geen aanleiding voor het oordeel dat de door het waterschap verstrekte gegevens onjuist zouden zijn of dat de minister om andere reden niet op die gegevens heeft mogen afgaan.
Hetzelfde moet gelden voor het door appellanten overgelegde rapport van het waterloopkundig laboratorium te Delft, waarin geen verdergaande conclusies worden getrokken dan dat aannemelijk is dat appellanten als gevolg van hoge grondwaterstanden schade hebben geleden aan hun gewassen.
2.4. Het vorenstaande leidt, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, tot de conclusie dat de minister niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de gestelde schade niet in zodanig verband staat met de waterstand van de Maas dat appellanten op de voet van de Regeling voor een bijdrage in aanmerking komen. Dat de Aa, naar appellanten hebben betoogd, in de desbetreffende periode in mindere mate op de Maas kon afwateren dan gebruikelijk het geval is, is wellicht een gevolg van de hogere waterstand van de Maas geweest, maar kan niet tot de conclusie leiden dat de schade aan de aspergeplanten door de stand van de Maas is veroorzaakt.
De door appellanten voorgestane ruime uitleg van artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling, dat ook schade die een indirect gevolg is van de hoge waterstand van de Maas voor vergoeding in aanmerking komt, ligt niet in de rede, te minder nu de Regeling ingevolge het bepaalde in artikel 93 van het EG-Verdrag (thans artikel 88 EG) als steunmaatregel bij de Commissie is aangemeld.
2.5. Dat het waterschap de Aa de nadelige effecten van de hoge waterstanden in de omgeving van het perceel van appellanten had kunnen beperken door stuw [nummer] lager in te stellen, kan, mede in het licht van het vorenstaande, geen grond vormen voor het toekennen van een bijdrage op grond van de Regeling.
Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel faalt evenzeer. Het perceel waarop appellanten doelen, is wat betreft de ligging en de afstand tot de Maas niet vergelijkbaar met dat van hen.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Does w.g. Frenkel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2001
206. Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,