Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0109

Datum uitspraak2000-12-06
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers99/1148
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 6 september 2000 Rolnummer : 99/1148 Rol.nr rb. : 98.958 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER A r r e s t in de zaak van: [naam X], wonende te [woonplaats X], appellant, hierna te noemen: [appellant], procureur mr. R.G.E. de Vries, tegen [naam Y], wonende te [woonplaats Y], geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], procureur mr. E.A. Kazzaz-de Hoog. HET GEDING Bij exploot van 7 oktober 1999 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 7 juli 1999, door de recht-bank te ‘s-Gravenhage tussen de partijen gewezen, doch uit-sluitend voor zover dit vonnis tussen [appellant] en [geïntimeerde] is gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het be-stre-den vonnis heeft ver-meld. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] drie grie-ven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met productie) heeft [geïntimeerde] de grie-ven bestreden. De partijen heb-ben hun procesdossiers aan het hof over-ge-legd. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de niet betwiste inhoud van de overgelegde producties, staat tussen de partijen vast hetgeen in het bestreden vonnis onder 1.1-1.7 is vastgesteld. 2. In dit geding vordert [appellant] schadevergoeding van [geïntimeerde] wegens diens, volgens [appellant] onrechtmatig verrichte, handelingen als deurwaarder in opdracht van het LBIO, een wederpartij van [appellant]. 3. Naar aanleiding van grief I gaat het hof uit van het standpunt van [appellant] zoals verwoord in de slotzin van de toelichting op die grief. 4. Wat de grieven II en III betreft, ingevolge artikel 1:395b BW moest [appellant] vanaf 7 juli 1993 aan [naam kind], en wel via het LBIO omdat [naam kind] daarop prijs stelde, hetgeen [appellant] op 6 juli 1993 voor [naam kind] moest betalen. Dat was nihil. De rechtbank heeft in haar beschikking van 26 oktober 1994 overwogen dat [naam kind] wijziging van deze verplichting zou verzoeken, indien hij alimentatie van [appellant] wenste over perioden na 6 juli 1993. Niet zonneklaar is dat de rechtbank hiermee misverstand heeft willen vermijden; [geïntimeerde] mocht de overweging uitleggen als weergave van een partijmededeling. Het LBIO heeft, op grond van een uitleg van de wet die naar ’s hofs oordeel de betekenis van de wettelijke zinsnede “en is deze verplichting tot aan het meerderjarig worden van het kind van kracht geweest” miskent, aan [geïntimeerde] verzocht executiemaatregelen te nemen tot inning van alimentatie over tijdvakken na 6 juli 1993. [appellant] acht het onrechtmatig dat [geïntimeerde] ter uitvoering van deze opdracht stappen heeft ondernomen, hoewel dat verzoek volgens [appellant] niet op de wet was gegrond. 5. Het hof is van oordeel dat van een deurwaarder, die een monopoliepositie bekleedt en dus voorzichtig moet zijn in het weigeren van zijn diensten, niet mag worden gevergd dat hij, wanneer zijn opdrachtgever en diens wederpartij twisten over de uitleg van de wet of van een rechterlijke uitspraak, op de stoel van de rechter gaat zitten en het verlenen van zijn diensten laat afhangen van zijn eigen uitleg van de wet. Onopgeloste executiegeschillen behoren aan de rechter te worden voorgelegd. Dit geval is niet gelijk te stellen met een verzoek aan de deurwaarder tot dienstverlening zonder blijk van de benodigde rechtstitel. De deurwaarder handelde dus niet onrechtmatig door de opdracht van het LBIO te aanvaarden en daarnaar te handelen, zelfs al zou hij de wetsuitleg van [appellant] hebben gedeeld. Op dit oordeel van het hof stuiten de grieven II en III af. 6. Nu de grieven niet tot een ander oordeel leiden, moet het bestreden vonnis, voor zover tussen [appellant] en [geïntimeerde] gewezen, worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep. BESLISSING Het hof: bekrachtigt het vonnis door de rechtbank te ’s-Gravenhage tussen de partijen op 7 juli 1999 gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger be-roep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot deze uitspraak begroot op ƒ 2.175,- gespeci-ficeerd als volgt: - ƒ 475 vast recht, - ƒ 1.700 salaris procureur, Dit arrest is gewezen door mrs Hehemann, Koning en Van den Wildenberg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.