
Jurisprudentie
AB0107
Datum uitspraak2000-11-01
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers104-H-00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers104-H-00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 1 november 2000
Rek.nummer: 104-H-00
Rek.nr rb.: A. 98-5560
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam vader],
wonende te [woonplaats vader],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. M.B. van der Kley.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[naam moeder],
wonende te [woonplaats moeder],
hierna te noemen: de moeder,
[naam kind 1],
wonende te [woonplaats kind 1],
hierna te noemen: [naam kind 1],
[naam kind 2],
hierna te noemen: [naam kind 2],
procureur mr. D.J.A. van den Berg.
HET GEDING
Bij beschikking van de recht-bank te 's-Gravenhage van 21 december 1999 is bepaald dat de vader aan de moeder wegens ver-goeding van de door de moeder ten behoeve van de op respec-tievelijk 25 maart 1980 en 11 juni 1981 uit het huwelijk van partijen geboren destijds minderjarige kinderen [naam kind 1 en naam kind 2], beiden thans jong-meer-derja-rig, ge-maakte bijko-men-de kosten over 1996 en 1997 ¦ 3.282,59 dient te vol-doen. Voorts is de door de vader aan de moeder te betalen kinderali-mentatie ten behoeve van [naam kind 2] over de periode van 1 september 1998 tot 11 juni 1999 bepaald op ¦ 475,- per maand en is de door de vader aan de jong-meerderjarigen [naam kind 1] en [naam kind 2] te betalen bijdrage in de kosten van levensonder-houd en studie met ingang van respectievelijk 1 september 1998 en 11 juni 1999 bepaald op ¦ 475,- per maand.
De vader is op 17 februari 2000 van voornoemde beschikking in hoger beroep gekomen (uitsluitend voor wat betreft de vanaf 1 september 1998 te betalen kinderbijdrage) en heeft ver-zocht deze te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hem alsnog te veroordelen te betalen zoveel minder als in het beroepschrift is vermeld. Voorts verzoekt de vader het hof [naam kind 1] en [naam kind 2] te gebieden hem op de wijze als onder punt IV (van het beroep-schrift) beschreven op de hoogte te houden van hun studie en/of werk.
Van de zijde van de moeder, [naam kind 1] en [naam kind 2] is een ver-weerschrift inge--diend waarin wordt verzocht de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking, zonodig onder verbe-tering en/of aanvulling van gronden, te bekrachti-gen.
Bij het hof is ingekomen een brief met bijlage(n) van de advo-cate van de vader, mr. S. Land, advocate te Amster-dam, van 20 maart 2000.
Op 26 april 2000 is de zaak mondeling behandeld.
Na de mondelinge behandeling zijn bij het hof ingekomen brie-ven van respectievelijk (naar het hof aanneemt foutief gedateerd ) 25 april 2000 (met bijlagen), welke brief het hof ontving op 10 mei 2000, en 17 mei 2000 van mr. Land en van 8 mei 2000 (met bijlagen) van de procureur van de moeder, [naam kind 1] en [naam kind 2].
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. De vader verzoekt - blijkens de brief van 25 april 2000 - in hoger beroep verla-ging van de door de rechtbank vastgestel-de alimentatie van ¦ 475,- per maand met ingang van 1 septem-ber 1998 tot een bedrag als het hof ver-meent te behoren.
2. De vader betwist in hoger beroep dat de totale behoefte van [naam kind 1] en [naam kind 2] hoger is dan ƒ 867,97 per maand per kind. Hij voert aan dat de maximum hoogte van de studiefi-nanciering voor thuis-wonende studenten van augus-tus 1998 tot januari 1998 (het hof leest: 1999), van januari 1999 tot augustus 1999, van augustus 1999 tot januari 2000 en vanaf januari 2000 tot augustus 2000 respectievelijk ¦ 840,-, ¦ 862,-, ¦ 868,- en ¦ 888,- bedraagt, welke bedragen volgens de vader voldoende zijn om van te studeren. Ieder van hen ontvangt ƒ 135,- per maand aan studiefinanciering. Bovendien meent de vader dat in de in eerste aanleg over-geleg-de behoefteberekening voor [naam kind 1] en [naam kind 2] ten onrech-te een briljanten ring is opgeno-men voor een bedrag van ¦ 395,- elk, omdat deze niet tot de normale behoef-ten kan worden gerekend. Nu ook de moeder eigen inkomen heeft (waaronder een bijdrage groot ƒ 1.500,- per maand van haar inwonende moeder) en zij geacht wordt naar verhouding in de kosten van de kinderen bij te dragen, acht hij een bijdrage van ¦ 475,- per maand (per kind) in de kosten van levensonderhoud en studie te hoog. Voorts voert hij aan dat de recht-bank voor de vaststelling van zijn netto inkomen ten onrechte uit is gegaan van de door hem in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekeningen.
3. De moeder heeft in eerste aanleg een behoefteberekening overgelegd, uitkomende op - afgerond - in totaal voor beiden tezamen ¦ 1.600,- per maand, exclusief kosten van voeding, verzorging en vakantie. Ter zitting in hoger beroep stelt zij de kosten van studie en levensonderhoud op minimaal ƒ 1.000,- per kind per maand. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de behoefte van [naam kind 1] en [naam kind 2] beoordeeld dient te worden naar hun indivi-duele omstandigheden en dat daarbij het bedrag van een op algemene normen gebaseerde studietoelage niet zonder meer bepalend is.
4. Vast staat dat [naam kind 1], die bedrijfskunde studeert aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam, voor de periode van 1 november 1999 tot 1 november 2000 bij [naam bedrijf] een arbeids-overeenkomst is aangegaan, welke overeenkomst inmiddels is ver-lengd tot 1 april 2001. Blijkens overgelegde salarisspeci-fica-ties over de maanden november 1999 tot en met maart 2000 ( behoudens februari 2000, over welke maand het inkomen uit de cumulatieven is te herleiden) verdient zij gemiddeld ruim ¦ 700,- netto per maand, exclusief vakantiegeld. Gezien het feit dat haar inkomsten wisselend zijn en in de maanden november/december boven gemiddeld, gaat het hof er hierna van uit dat zij redelijkerwijs een gemiddeld inkomen van circa ƒ 600,- netto per maand exclusief vakantiegeld zal genieten. [naam kind 2], die een opleiding accountancy volgt aan de HES te Rotterdam, heeft voor de periode van 29 maart 2000 tot 1 oktober 2000 bij [naam bedrijf] een arbeidsovereenkomst aangegaan. Zij is werkzaam als partti-me verkoopster voor 15,5 uur per week, welke binnen een bandbreedte van +25% en -25% mag varië-ren. Blijkens de salarisspecificatie van de maand april 2000 bedraagt haar inkomen circa ƒ 445,- netto per maand, exclusief vakantiegeld.
5, Op basis van de door de moeder in eerste aanleg overgelegde overzichten van de studiekosten ten behoeve van beide kinderen over de studiejaren 1998/1999 en 1999/2000 begroot het hof de studiekosten over de periode 1 juni 1998 tot 1 januari 1999 op ƒ 354,- per kind per maand en de studiekosten over 1999 op ƒ 313,- per kind per maand. Het hof begroot voor voeding ƒ 400,-, voor kleding ƒ 100,-, vakantie ƒ 100,-, bijdrage in de verwarming/telefoonkosten/andere woonlasten ƒ 50,-, uitgaven voor sociale contacten ƒ 150,- alles per kind per maand.
Rekening houdend met het bedrag van ƒ 135,- dat de kinderen elk wegens studiefinanciering ontvangen, bedraagt de resterende behoefte op grond van het bovenstaande over de maanden september tot en met december 1998 ƒ 1019,- en over 1999 en volgende jaren ƒ 978,- per kind per maand.
Het hof is van oordeel dat de inkomsten van de kinderen zelf slechts voor een gedeelte in aanmerking genomen dienen te worden ter dekking van hun behoefte, nu beiden een voltijds studie volgen en het redelijk is dat, wanneer zij zich daarnaast deze extra inspanningen getroosten, zij een deel hiervan aan bijzondere door hen gewenste uitgaven kunnen besteden. Het hof acht het gezien de financiële omstandigheden van alle partijen redelijk dat tot een bedrag van ƒ 200,- per maand aan eigen inkomsten wordt vrij gelaten.
Aldus rekening houdend met eigen inkomsten uit arbeid van [naam kind 1] van (ƒ 630.- incl. vakantiegeld, minus ƒ 200,- derhalve) ƒ 430,- netto per maand incl vakantiegeld dient haar behoefte per 1 november 1999 op ƒ 548,- per maand te worden gesteld. De behoefte van [naam kind 2] wordt per 1 april 2000 gesteld op ƒ 712,- rekening houdend met haar eigen inkomsten vanaf die datum, tot een bedrag van ƒ 266,- per maand incl. vakantiegeld.
Gelet op hun verklaring ter zitting acht het hof het aannemelijk dat beide kinderen niet eerder dan door hen genoemd (enigszins substantiële) inkomsten uit arbeid genoten.
6. Blijkens de jaaropgave 1998 had de moeder een bruto inkomen van ƒ 54.798,-. In 1999 had de moeder blijkens diverse jaaropgaven een bruto inkomen van in totaal ƒ 98.977,-, met inbegrip van een éénmalige uitkering van ƒ 40.000,- bruto (netto uitbetaald) als gevolg van beëindiging van haar dienstverband bij [naam bedrijf] per 1 mei 1999. De moeder, sinds 1 januari 2000 werkzaam bij [naam bedrijf], heeft blijkens de brief van het GAK van 1 mei 2000 aan haar werkgever, zonder het GAK hiervan in kennis te stellen, medegedeeld haar dienstverband met ingang van 1 april 2000 te willen beëindigen. Om die reden wordt aan de moeder, die sedert 14 februari 2000 een ziektewetuitkering ontving, niet langer een ziektewetuitkering verstrekt. De moeder heeft aangekondigd tegen de beslissing van het GAK bezwaar aan te tekenen.
Blijkens salarisspecificaties van de maanden januari tot en met maart 2000 had de moeder een bruto inkomen van ƒ 4.172,- per maand, exclusief vakantiegeld en gratificatie. Met de vader is het hof van oordeel dat de ziekte van de moeder, naar eigen zeggen ingegeven door deze procedure, spoedig voorbij zal zijn, zodat het hof uit gaat van een verdiencapaciteit gelijk aan het laatstgenoemde inkomen. Het hof weegt daarbij mee dat het aan de moeder zelf te wijten is dat zij thans geen ziektewetuitkering ontvangt. Het hof laat de maandelijkse bijdrage van de moeder van de moeder buiten beschouwing. Aannemelijk is dat die bijdrage voor kost- en inwoning (ƒ 1.000,- per maand) kostendekkend is. Bovendien is aannemelijk dat het restantbedrag van ƒ 500,- per maand, een lening betreft (ter financiering van de studiekosten van de jong minderjarigen) die de moeder aan haar moeder dient terug te betalen.
7. Blijkens de jaaropgaven 1998 en 1999 had de vader een bruto inkomen van respectievelijk ƒ 64.249,- en ƒ 67.874,-.
Nu de dochters, die beiden bij de moeder en haar huidige echtgenoot wonen, een opleiding volgen is de vader, voor zover zijn draagkracht (welke niet ter discussie staat) dat toelaat, gehouden hen daartoe financieel in staat te stellen. De vader heeft in hoger beroep zijn draagkracht niet betwist. Wel heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte van de door hemzelf in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening is uitgegaan, voor het berekenen van het netto inkomen van de partijen, welke berekening volgens hem uiteindelijk heeft geleid tot een onjuiste verdeling van de onderhoudsplicht tussen de partijen.
8. Naar het oordeel van het hof bedroegen de besteedbare inkomens van de vader en de moeder in 1998 en 1999 (afgerond) ƒ 4.115,- en ƒ 3.485,- repectievelijk ƒ 4.305,- en ƒ 3.705,-. Het hof gaat uit van een gelijke verhouding van de besteedbare inkomens in 2000. Als uitgangspunt voor het vaststellen van de besteedbare inkomens van beide partijen heeft het hof de door de vader in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekeningen (gedateerd 2 november 1999) genomen, zij het dat voor 1998 en 1999 telkens van de aan het hof overgelegde jaaropgaven is uitgegaan. Het hof merkt daarbij op dat de eenmalige uitkering die de moeder in 1999 heeft ontvangen buiten beschouwing is gelaten, zodat het hof voor dat jaar is uitgegaan van een bruto inkomen van ƒ 58.977,-. Voorts is rekening gehouden met alle in die berekeningen opgevoerde lasten. Ook is rekening gehouden met (gelet op het feit dat beide partijen zijn hertrouwd met een verdienende partner) de helft van de woonlasten van beide partijen en de fiscale voordelen. Het hof houdt geen rekening met een maandelijkse aflossing van ƒ 185,- terzake van een door de vader aangegane lening (Master Buy-overeenkomst van 21 februari 2000) van in totaal ƒ 20.298,-, welke hij - naar eigen zeggen - is aangegaan om te kunnen voldoen aan de beschikking van de rechtbank. Gebleken is dat die lening grotendeels is aangegaan voor de aanschaf van een andere auto, hetgeen ter zitting door hem is erkend. Bovendien heeft hij naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat hij de te betalen bijdragen niet uit eigen middelen zou kunnen voldoen. De door het hof aldus berekende draagkrachtruimte van de vader en de moeder verhoudt zich ongeveer als 5:4. Het hof acht het redelijk dat in die verhouding door beide ouders wordt bijgedragen.
Gelet op het bovenstaande, en nu de moeder, [naam kind 1] en [naam kind 2] in hoger beroep verzocht hebben de bestreden beschikking te bekrachtigen, zal het hof de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van [naam kind 1] met ingang van 1 september 1998 tot 1 november 1999 handhaven op ƒ 475,- per maand en met ingang van 1 november 1999 op ƒ 305,- per maand bepalen.
De door de vader aan de moeder ten behoeve van [naam kind 2] te betalen kinderalimentatie over de periode van 1 september 1998 tot 11 juni 1999 zal het hof, evenals de door de vader met ingang van 11 juni 1999 aan [naam kind 2] zelf te betalen kosten van haar levensonderhoud en studie, handhaven op ƒ 475,- per maand en per 1 april 2000 op ƒ 395,- per maand bepalen.
Het hof acht de bovengenoemde bedragen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
Voor zover de vader ten behoeve van ieder van zijn dochters meer betaald heeft dan hij op grond van deze beschikking verschuldigd is, kunnen de dochters dat bedrag terugbetalen in termijnen van f 150,- per maand ieder.
9. Het verzoek van de vader om [naam kind 1] en [naam kind 2] te gebieden hem elke drie maanden te informeren over hun studie en/of werk vindt, zoals ter zitting reeds is medegedeeld, geen steun in de wet, zodat het verzoek in zoverre moet worden afgewezen. Het hof gaat er wel vanuit dat [naam kind 1] en [naam kind 2] hun toezegging, dat zij in beginsel bereid zijn de bovengenoemde informatie te verstrekken, zullen nakomen.
10. Gelet op het bovenstaande moet ten aanzien van de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, alsvolgt worden beslist.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de aan de moeder ten behoeve van [naam kind 2] en per 11 juni 1999 aan [naam kind 2] zelf te betalen bijdrage tot 1 april 2000;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de aan [naam kind 1] te betalen bijdrage tot 1 november 1999;
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de te betalen bijdrage na de hiervoor genoemde data en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de vader aan [naam kind 2] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie met ingang van 1 april 2000 op ƒ 395,- per maand;
bepaalt de door de vader aan [naam kind 1] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie met ingang van 1 november 1999 op ƒ f 305,- per maand;
bepaalt dat de dochters aan een eventuele terugbetalingsverplichting kunnen voldoen door middel van een maandelijks bedrag van f 150,- ieder;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voor-raad;
wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zoch-te af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Hehemann, Fockema Andreae-Hartsuiker en Pannekoek-Dubois, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terechtzit-ting van 1 november 2000.