
Jurisprudentie
AB0098
Datum uitspraak2001-01-24
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/2678
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/2678
Statusgepubliceerd
Indicatie
Door een fout van de Belastingdienst is bij een voorlopige aanslag en bij de daarop volgende definitieve aanslag te veel loonbelasting verrekend. Voor navordering is geen nieuw feit vereist (art. 16-2 AWR). Heffingsrente bij navordering vervalt (zie VN 1999/39.3).
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, hierna de inspecteur, gedagtekend 15 juni 2000, betreffende een aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente.
Het beroep is behandeld ter zitting van 17 januari 2001.
Beslissing
Het Hof
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- handhaaft de bestreden navorderingsaanslag;
- vernietigt de bestreden beschikking inzake heffingsrente;
gelast de Staat het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden; en
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 35 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.
Gronden
1. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997 gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 58.167 en te verrekenen loonbelasting tot een bedrag van ƒ 8.546. In een bijlage bij zijn aangiftebiljet heeft belanghebbende de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend op ƒ 9.677 en het terug te ontvangen bedrag op ƒ 4.164.
2. Aan belanghebbende is met dagtekening 13 mei 1998 een voorlopige aanslag (voorlopige teruggaaf) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.167 met als verschuldigde belasting ƒ 9.697 en verrekening van een bedrag van ƒ 22.387 aan te verrekenen loonbelasting, zodat de teruggave ƒ 12.690 bedroeg. Daarbij is ƒ 153 heffingsrente vergoed. Met dagtekening 30 oktober 1998 is aan belanghebbende een definitieve aanslag inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen 1997 opgelegd die gelijk was aan de voorlopige aanslag. Met dagtekening 5 april 2000 heeft de inspecteur aan belanghebbende aangekondigd de bestreden navorderingsaanslag te zullen opleggen omdat bij de hiervoor vermelde voorlopige aanslag en definitieve aanslag (ƒ 22.387 - ƒ 8.546 =) ƒ 13.841 te veel loonbelasting was verrekend. De bestreden navorderingsaanslag, met dagtekening 22 april 2000, bedroeg ƒ 13.841 inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen. Daarbij is ƒ 987 aan heffingsrente berekend.
3. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van een nieuw feit, dat hij evenmin te kwader trouw is en dat op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) geen navorderingsaanslag mag worden opgelegd. Het Hof verwerpt deze stelling van belanghebbende omdat artikel 16, tweede lid, van de AWR voor zover hier van belang bepaalt dat navordering mede kan plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven doordat een voorheffing tot een onjuist bedrag is verrekend.
4. Belanghebbende stelt dat hij na ontvangst van de voorlopige teruggaaf telefonisch contact heeft opgenomen met de Belastingdienst, dat hij daarbij zijn twijfel heeft geuit over de juistheid van de teruggaaf, dat hij in dat gesprek zijn sofi-nummer heeft opgegeven, dat degene die hem te woord stond heeft gezegd de juistheid van de teruggaaf nader te zullen onderzoeken en dat hij na dit telefoongesprek niets meer heeft vernomen, afgezien van de definitieve aanslag die met de voorlopige teruggaaf overeenstemde. Belanghebbende stelt dat daardoor bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat de teruggaaf juist was en dat het opleggen van de navorderingsaanslag daarom in strijd komt met het vertrouwens-beginsel. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende redelijkerwijs moeten begrijpen dat de teruggaaf op een fout berustte. Dat is naar ’s Hofs oordeel niet anders door het gestelde telefoongesprek, nu daarin de juistheid van de teruggaaf niet is bevestigd. Ook wordt dat niet anders door het uitblijven van een verdere reactie van de Belastingdienst en de definitieve aanslag die kennelijk dezelfde fout bevatte. Het Hof is dan ook van oordeel dat bij belanghebbende niet het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de teruggaaf juist was en dat navordering van de ten onrechte teruggegeven inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen achterwege zou blijven.
5. Het vorenoverwogene voert tot de conclusie dat de bestreden navorderingsaanslag terecht is opgelegd.
6. Het Hof heeft de inspecteur gewezen op een verslag van de Commissie voor de verzoek-schriften uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 1999/39.3. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard - na kennisneming van de hiervoor bedoelde publicatie - van mening te zijn dat de bij de bestreden navorderingsaanslag berekende heffingsrente moet vervallen. Het Hof zal dien-overeen-komstig beslissen.
Proceskosten
Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat geen andere in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan de reiskosten voor het bijwonen een zitting te Amsterdam door belang-hebbende, zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op ¦ 35.
De uitspraak is gedaan op 24 januari 2001 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.