Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0096

Datum uitspraak2001-01-17
Datum gepubliceerd2001-02-20
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/1808
Statusgepubliceerd


Indicatie

Door RVV is in het onderhavige jaar geen loonbelasting ingehouden op aan belanghebbende betaalde vergoeding voor werkzaamheden. Er kan dan ook niet worden verrekend. Belanghebbende kon ook niet te goeder trouw menen dat wel was ingehouden en afgedragen. Omstandigheid dat mogelijk sprake was van een dienstbetrekking tussen RVV en belanghebbende doet aan een en ander niet af


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, gedagtekend 18 april 2000, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1997. Het beroep is behandeld ter zitting van 5 januari 2001. Beslissing Het Hof: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de bestreden uitspraak; - handhaaft de aanslag zoals deze is komen te luiden na de ambtshalve vermindering van 19 juli 2000; - gelast de Staat het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden. Gronden 1. Belanghebbende is van oordeel dat het hem in het onderhavige jaar door de Rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees (RVV) voor het verrichten van werkzaamheden betaalde bedrag ad ƒ 79.925 in de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen moet worden betrokken als een brutoloon van ƒ 176.243 waarop, na aftrek van ƒ 1.299 aan kosten, een bedrag van ƒ 95.019 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden en afgedragen. 2. De inspecteur heeft gesteld dat de RVV op de aan belanghebbende betaalde inkomsten geen loonbelasting/premie volksverzekeringen heeft ingehouden en afgedragen. Uit hetgeen belanghebbende in de stukken naar voren heeft gebracht ligt besloten dat hij dit ook erkent. Belanghebbende heeft ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden en afgedragen. 3. Ingevolge artikel 63 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) juncto artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de van belanghebbende geheven loonbelasting/premie volksverzekeringen verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Voor deze verrekening komt slechts in aanmerking de in feite ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen. Nu deze van belanghebbende feitelijk niet is geheven, kan er ook geen bedrag worden verrekend. 4. Het vorenstaande kan anders komen te liggen als belanghebbende te goeder trouw kon menen dat wel loonbelasting was ingehouden en afgedragen. Naar het oordeel van het Hof is daarvan evenwel geen sprake. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij met de RVV een nettoloon was overeengekomen dat door de RVV zou worden gebruteerd en ter zake waarvan afdrachten zouden plaatsvinden. Het Hof acht op grond van hetgeen uit de stukken van het geding daarover naar voren komt juist aannemelijk dat het voor de betrokkenen, en ook voor belanghebbende, van meet af aan duidelijk was dat de RVV zich op het standpunt stelde dat van een dienstbetrekking geen sprake was. Op 7 januari 1998 ging de actiegroep ‘Piggy’ van start die zich ten doel stelde bij de RVV af te dwingen dat deze dienst zich gedroeg als een ‘fatsoenlijk werkgever’. Uit de stukken van het geding valt op te maken dat een van de grieven van de betrokken dierenartsen en studenten daarbij juist was dat in de voorafgaande periode gebleken was dat de RVV geen loonbelasting/premie volksverzekeringen afdroeg of dat de genoemden daarover minst genomen ernstig twijfelden. Voorts heeft belanghebbende ter zitting erkend dat hij geen loonbelastingverklaring heeft ingevuld. Verder heeft hij geen loonstrookjes of andere stukken in het geding gebracht op grond waarvan hij kon menen dat de RVV loonbelasting inhield en/of afdroeg. Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat belanghebbende redelijkerwijs niet kon menen dat van hem loonbelasting werd geheven. In wezen beroept belanghebbende zich er slechts op dat naar zijn oordeel en dat van zijn lotgenoten sprake was van een dienstbetrekking zodat loonbelasting/premie volksverzekeringen moest worden ingehouden, maar enkel de eigen opvatting over de aard van de arbeidsverhouding is onvoldoende om de hier benodigde goede trouw ter zake van het verricht zijn van de inhoudingen en/of afdrachten op te baseren. 5. Voor zover belanghebbende zich beroept op de opvatting van de inspecteur en die van diens ambtgenoot van de eenheid Grote ondernemingen Den Haag, welke opvatting volgens belanghebbende inhoudt dat ook naar het oordeel van deze inspecteurs in het onderhavige jaar sprake was van een tussen belanghebbende en de RVV bestaande dienstbetrekking, faalt dit beroep. Immers, ook als de inspecteurs die opvatting hebben, bewerkstelligt zulks niet dat in het onderhavige jaar te verrekenen loonbelasting/premie volksverzekeringen is geheven. Ook in dat geval is dan feitelijk niets geheven. Om dezelfde reden hoeft het Hof zich in de onderhavige procedure niet uit te spreken over het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de RVV: een dergelijk oordeel brengt geen verandering in de omstandigheid dat feitelijk geen loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden en afgedragen. Een en ander brengt evenmin verandering in wat belanghebbende ter zake van de feitelijke situatie in het onderhavige jaar te goeder trouw kon menen. 6. Bij zijn stelling dat hij bij de RVV een brutosalaris van ƒ 176.243 heeft genoten heeft belanghebbende geen belang, nu deze stelling voor hem slechts een gunstig gevolg kan hebben indien zij gepaard gaat met de mogelijkheid tot verrekening van de gestelde loonbelasting/premie volksverzekeringen. Nu uit het vorenstaande volgt dat de gestelde verrekening niet mogelijk is, gaat het Hof aan de stelling voorbij. 7. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat op het in beroep uiteindelijk nog aan de orde zijnde geschilpunt het gelijk aan de inspecteur is. 8. Nu de inspecteur na het instellen van het beroep de aanslag alsnog heeft verminderd, zodat de bestreden uitspraak wordt moet worden vernietigd en het beroep in zoverre gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De gelijktijdig behandelde zaak met het kenmerk 00/2497 wordt daarbij als een samenhangende zaak aangemerkt, zodat de in die zaak uitgesproken proceskostenveroordeling ook ziet op de onderhavige zaak. Een veroordeling blijft daarom hier achterwege. De uitspraak is gedaan op 17 januari 2001 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend. Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm. U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondeling uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.