
Jurisprudentie
AB0095
Datum uitspraak2001-02-07
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/1028
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/1028
Statusgepubliceerd
Indicatie
Havengeld gemeente Amersfoort geldt niet voor woonschepen die kade huren. Belanghebbende heeft naast zijn woonschip tijdelijk een tweede -tot vervangend woonschip bestemd- vaartuig afgemeerd waarbij hij het aantal meters kade dat hem op grond van de huurovereenkomst ter beschikking staat niet overschrijdt. Voor tweede woonschip is wél havengeld verschuldigd
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Achtste Enkelvoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van de inspecteur van de gemeentelijke belastingen van de gemeente Amersfoort, verweerder.
1. Loop van het geding
Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 7 maart 2000, aangevuld bij schrijven van 1 mei 2000. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 1 februari 2000, betreffende het van belanghebbende bij wege van nota geheven havengeld over de periode 5 juli 1999 tot en met 31 augustus 1999. Verweerder heeft het bezwaar bij de bestreden uitspraak ongegrond verklaard en de nota gehandhaafd.
Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vernietiging dan wel vermindering van het geheven havengeld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot handhaving van de aan belanghebbende opgelegde nota zoals deze ambtshalve is verminderd.
Ter zitting van 25 oktober 2000 is verschenen belanghebbende in persoon, tot bijstand vergezeld van (…). Namens verweerder zijn verschenen (…).
Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 8 november 2000. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is op 9 november 2000 aan partijen verzonden. Ter griffie is op 30 november 2000 van belanghebbende het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht, ƒ 80, is tijdig voldaan.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Belanghebbende heeft van verweerder een nota havengeld ad ƒ 1.087,34 inclusief 17,5% BTW ontvangen. De nota (factuurdatum 19 oktober 1999) betreft de periode 5 juli tot en met 31 augustus 1999. Verweerder heeft het bezwaar bij de bestreden uitspraak ongegrond verklaard en de nota gehandhaafd.
2.2. Op grond van artikel 1 (‘Aard van de heffing’), eerste lid, van de Verordening haven- en kadegeld 1999 van de gemeente Amersfoort (hierna: de Verordening) wordt onder de naam havengeld een recht geheven voor het met vaartuigen ligplaats nemen of voor anker gaan in een voor de openbare dienst bestemde haven.
2.3. Op grond van artikel 8 (‘Vrijstellingen’) van de Verordening wordt het havengeld niet geheven voor:
a. vaartuigen in dienst van het Rijk of de Provincie Utrecht
b. vaartuigen welke tot het uitvoeren van onderhoud in de haven worden gebezigd;
c. woonschepen voor zover ter zake daarvan al uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst een bedrag wordt gevorderd;
d. hospitaalschepen of schepen die als zodanig dienst doen.
2.4. Op grond van de ‘Huurovereenkomst voor een ligplaats’ tussen de directeur van de dienst Stadsbeheer en Milieu van de gemeente Amersfoort en belanghebbende huurt laatstgenoemde 40 meter kade aan het water om aldaar met zijn woonschip ‘A’ (lengte 31,5 meter) een ligplaats in te nemen.
2.5. Op 5 juli 1999 heeft belanghebbende zijn vaartuig ‘B’ (lengte 22,10 meter) naast ‘A’ gelegd. Hiermee heeft belanghebbende de 40 meter kade die hem op grond van de genoemde huurovereenkomst ter beschikking staan niet overschreden. ‘B’ heeft -naar niet in geschil is- 8 maanden naast ‘A’ in het water te Z gelegen.
3. Geschil
In geschil is of het havengeld ad ƒ 1.087,34 inclusief 17,5% BTW en nadien door verweerder verminderd terecht van belanghebbende is geheven.
4. Standpunten van partijen
Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd.
door belanghebbende:
Het tarief is een afschriktarief en staat niet in verhouding tot ligplaatsgeld.
Mijn oud-buurman, de heer C, heeft voor een soortgelijk geval ook een beroepschrift ingediend. Het betrof eveneens een verbouwing. Het beroep van de heer C is door de gemeente ingetrokken.
Gedurende 8 maanden hebben twee boten van mij in het water gelegen. Ik heb mijn best gedaan om ‘A’ zo spoedig mogelijk te verkopen maar ben daarin niet zo snel geslaagd. Verweerder zou in dit geval een ‘onbelaste verhuistijd’ van drie maanden moeten hanteren. De verhuistijd die de gemeente Amsterdam hanteert, is drie maanden.
door verweerder:
Het tarief is conform de Verordening aan belanghebbende in rekening gebracht.
Het begrip ‘verhuistijd’ is een subjectief begrip dat mijns inziens niet bestaat.
De zaak C dateert van ongeveer vier jaar geleden. Ik kan de reden van de intrekking van die zaak niet meer nagaan.
Een heffing legaliseert de situatie niet.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. De primaire stelling in het verweerschrift dat het Hof onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen omdat het een onderwerp -een huurovereenkomst- betreft dat tot de competentie van de Kantonrechter behoort, is onjuist. Het geschil betreft een nota havengeld. De belastingrechter is bevoegd om daarvan kennis te nemen.
5.2. Belanghebbende heeft ‘B’ naast ‘A’ gelegd met het oog op zijn verhuizing van ‘A’ naar ‘B’. Belanghebbende heeft gesteld dat hij de verbouwing van ‘B’ en zijn verhuizing onmogelijk binnen één dag kon realiseren en dat hij tijdens de verbouwing gebruik moest maken van de op ‘A’ aanwezige voorzieningen. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat ‘B’ een kaal schip is waarvoor een belasting op tonnage als vermeld in de bij de Verordening horende Tarieventabel 1999 zou moeten gelden in plaats van het door verweerder gehanteerde tarief.
5.3. Het staat vast dat belanghebbende in het water, aan het kadedeel dat hij huurt, gedurende de onderhavige periode behalve ‘A’ een tweede -tot vervangend woonschip bestemd- vaartuig (‘B’) heeft afgemeerd. Aldus heeft zich een belastbaar feit in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Verordening voorgedaan en was havengeld verschuldigd. In dit geval is enige vrijstelling ex artikel 8 van de Verordening niet van toepassing. Met name is de onder letter c vermelde vrijstelling niet van toepassing nu de privaatrechtelijke overeenkomst tussen belanghebbende en de gemeente slechts betrekking heeft op de verhuur van een oevergedeelte met als doel het innemen van een ligplaats met het woonschip ‘A’. De Verordening kent evenmin een vrijstelling voor ‘verhuistijd’ zoals belanghebbende wenst. Derhalve is belanghebbende terecht in de heffing van havengeld betrokken en rest het het Hof slechts na te gaan of het bedrag van de nota juist is.
5.4. Berekening van het havengeld per ton, zoals belanghebbende wenst, is op de voet van de Verordening voor het onderhavige geval niet mogelijk. Artikel 2 van de Tarieventabel ziet op de heffing van kadegeld als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Verordening en niet op het onderwerpelijke havengeld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Verordening.
5.5. Het op de nota te betalen bedrag was, ook na bezwaar, ƒ 1.087,34 inclusief BTW. Bij de berekening is verweerder, terecht, uitgegaan van 27 dagen in juli 1999 en van de gehele maand augustus 1999. In zijn verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat de onderhavige nota niet correct berekend was. Derhalve heeft verweerder met factuurdatum 28 juni 2000, ƒ 1.155,95 inclusief BTW aan belanghebbende gerestitueerd, waarvan een gedeelte groot ƒ 339,91 volgens verweerder betrekking heeft op de onderhavige nota. Niet is gesteld of gebleken dat het aldus verminderde bedrag hoger is dan ingevolge artikel 1 van de Tarieventabel is verschuldigd.
5.6. Belanghebbende heeft nog gesteld dat een soortgelijk beroepschrift inzake oud-buurman C door verweerder is ingetrokken. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat de gronden daarvoor niet meer zijn te achterhalen, omdat dit reeds ongeveer 4 jaren geleden heeft plaatsgevonden. Nu voor de hand ligt dat zoveel jaren geleden een andere verordening gold en belanghebbende overigens geen gegevens heeft verstrekt omtrent de omstandigheden waaronder die intrekking is geschied, acht het Hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gemeente een begunstigend beleid voert of heeft gevoerd, waarvan in belanghebbendes geval is afgeweken. Van een in de meerderheid van vergelijkbare gevallen door verweerder gehanteerde afwijkende wetstoepassing kan bij slechts één ander vergelijkbaar geval niet worden gesproken. Van schending van het gelijkheidsbeginsel, waarop belanghebbende zich kennelijk beroept, is dan ook geen sprake.
6. Proceskosten
Het Hof acht termen aanwezig voor de veroordeling van verweerder in de kosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen daarvoor in het onderhavige geval in aanmerking de reiskosten die belanghebbende heeft moeten maken om de zitting bij te wonen. Het Hof stelt deze kosten in goede justitie vast op ƒ 30. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld of gebleken.
7. Beslissing
Het Hof
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden uitspraak;
handhaaft het bedrag van de nota havengeld zoals dit op 28 juni 2000 ambtshalve is verminderd;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van ƒ 30 en wijst de gemeente Amersfoort aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;
gelast verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.
De uitspraak is vastgesteld op 7 februari 2001 door mr. Schaap, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 8 november 2000.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) de dagtekening;
c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d) de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.