Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0094

Datum uitspraak2000-11-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers295-R-00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 15 november 2000 Rekestnummer : 295-R-00 Rekestnr. rechtbank : FA RK 99-8042 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [naam moeder], wonende te [woonplaats moeder], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, procureur mr. W. Taekema. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: 1. mr. R.A. Felix, kantoorhoudende te Rotterdam, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de op 10 december 1998 geboren minderjarige [naam kind] (zo genoemd blijkens de geboorteakte te Rotterdam, in welke akte als geslachtsnaam van de vader [andere naam vader] is opgenomen in plaats van [naam vader], verder te noemen: [naam kind]), hierna te noemen: de bijzondere curator, 2. [naam vader], wonende op een onbekend adres in Turkije, hierna te noemen: de vader, 3. [naam huidige partner moeder], wonende te [woonplaats huidige partner moeder], thans verblijvende in detentie in Portugal, hierna te noemen: de huidige partner van de moeder. De advocaat-generaal aan dit hof heeft schriftelijk geconcludeerd. PROCESVERLOOP De moeder is op 2 mei 2000 in hoger beroep gekomen van een tussenbeschikking van 10 maart 2000 van de rechtbank te Rotterdam, waarbij de moeder is opgedragen te bewijzen dat de huidige partner van de moeder de biologische vader van haar kind [naam kind] is. Er zijn geen verweerschriften ingekomen. Van de zijde van de bijzondere curator is bij het hof een brief ingekomen, gedateerd 26 juni 2000, onder meer inhoudende de mededeling dat hij op de door het hof bepaalde mondelinge behandeling op 6 september 2000 niet aanwezig zal zijn. Van de zijde van de moeder is bij het hof een faxbericht ingekomen, gedateerd 26 september 2000 onder meer inhoudende de mededeling dat zij afziet van een mondelinge behandeling en dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan. Gelet op de inhoud van voornoemd faxbericht van de zijde van de moeder heeft de door het hof bepaalde mondelinge behandeling geen doorgang gevonden. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP De moeder verzoekt de bestreden tussenbeschikking te vernietigen en te bepalen dat haar inleidende verzoek om ontkenning vaderschap gegrond verklaard wordt. Het openbaar ministerie concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar hoger beroep. Het hof is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Zij stelt dat beroep immers in tegen een tussenbeschikking en daarvan is hoger beroep niet toegelaten anders dan gelijktijdig met de einduitspraak, tenzij de rechter anders bepaalt. Van dat laatste is in deze geen sprake. Het “stempel” onder aan de bestreden tussenbeschikking waarin staat vermeld: “Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld ….” staat niet in de tussenbeschikking zelf en geldt derhalve niet als een rechterlijke beslissing in de zin van artikel 429n lid 3 Rv. Een dergelijke mededeling kan geen afbreuk doen aan de wettelijke bepaling. De beslissing dient derhalve te worden als volgt. BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP Het hof: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mrs. Hehemann, Schuering en Pannekoek-Dubois, bijge-staan door mr. Oostveen als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 15 november 2000.