Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0093

Datum uitspraak2000-06-28
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers125-H-00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 28 juni 2000 Rek.nummer: 125-H-00 Rek.nr rb.: 98-6225 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [naam moeder], wonende te [woonplaats moeder], verzoeker, in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, procureur mr. M.H.J. Toxopeus, tegen [naam vader], wonende te [woonplaats vader], verweerder, tevens inciden-teel ver-zoeker, in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, procureur mw. mr. H.E. Brokers-van Dijk. HET GEDING Uit de moeder is op 6 juni 1995 geboren de minderjarige [naam kind], die door de vader is erkend. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast. De moeder heeft op 21 september 1998 de rechtbank te ’s-Gravenhage verzocht te bepalen dat de vader, met ingang van 21 september 1998, ƒ 350,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen. De rechtbank heeft bij beschikking van 11 januari 2000 de kinderalimentatie ten laste van de vader, met ingang van 21 september 1998, bepaald op ƒ 50,- per maand. De moeder is op 25 februari 2000 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 januari 2000 van de rechtbank en heeft ver-zocht deze te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie te bepalen op ƒ 350,- per maand met ingang van 21 september 1998, althans op een bedrag, hoger dan ƒ 50,- per maand, als het hof juist acht, met ingang van de datum van de uitspraak van het hof en tot die datum op het in feite betaalde bedrag. De vader heeft op 18 april 2000 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel inge-diend waarin hij verzoekt het appel van de vrouw af te wijzen, de bestreden beschikking te vernietigen en de kinderalimentatie vast te stellen op nihil, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht. De moeder heeft op 2 mei 2000 een verweerschrift ingediend, waarin zij verzoekt het incidenteel appel van de man af te wijzen. Op 10 mei 2000 is de zaak mondeling behandeld. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP Het hof gaat van de volgende gegevens uit (bedragen op hele guldens afgerond): 1. De moeder is 29 jaar. Zij ontvangt een bijstandsuitkering. [naam kind] woont bij haar. De behoefte van de minderjarige aan alimentatie staat als niet bestreden vast. De draagkracht van de vader en de datum van ingang van de alimentatie zijn in geschil. 2. De vader is 28 jaar. Hij woont samen met zijn partner en een uit die relatie geboren kind. Zijn partner kan in haar eigen levensonderhoud voorzien. Uitgaande van de jaaropgave 1999 ontvangt de vader een bruto loon van ƒ 38.639,-. 3. De moeder heeft in haar grieven - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank de draagkracht onjuist heeft bepaald. De moeder meent dat ofwel dient te worden uitgegaan van de éénoudernorm waarbij het volledige inkomen van de huidige verdienende partner van de vader wordt meegenomen, ofwel met de alleenstaandennorm, waarbij dan uitsluitend rekening wordt gehouden, gezien het feit dat de man een zelfverdienende partner heeft, met een zekere bijdrage van de partner in de woonlasten van de vader. Ten aanzien van de woonlasten heeft de moeder voorts gesteld dat de vader, bij het maken van de keuze tussen het huren of kopen van een woning, rekening had moeten houden met zijn onderhoudsplicht ten aanzien van [naam kind]. De moeder heeft voorts betoogd dat de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie niet redelijk is noch in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Tevens maakt zij bezwaar tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum. 4. De vader heeft de grieven van de moeder gemotiveerd betwist. Hij heeft in zijn incidenteel appel aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte, naast het hanteren van de éénoudernorm, van een draagkrachtpercentage van 60% is uitgegaan. Naar zijn mening had de rechtbank een draagkrachtpercentage van 45% moeten toepassen, dat voor de bijstandsnorm van een éénoudergezin gebruikelijk is. 5. Het hof is van oordeel dat de vader in beginsel dient te worden aangemerkt als alleenstaande, nu hij samenwoont met een verdienende partner, die in staat is geheel in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Aangezien hij echter ook de zorg voor een kind heeft samen met die verdienende partner zal het hof voor de berekening van het draagkrachtloze inkomen het normbedrag voor alleenstaanden verhogen met de helft van het verschil tussen de alleenstaandennorm en de alleenstaande oudernorm. Daarnaast zal het hof rekening houden met een draagkrachtpercentage van 50%. Ten aanzien van de woonlasten van de vader is het hof van oordeel dat, in verhouding tot het inkomen, deze woonlasten niet bovenmatig zijn. Het hof acht het derhalve redelijk, bij de bepaling van de draagkracht van de vader, rekening te houden met een bedrag van ƒ 750,- per maand, zijnde de helft van de hypotheekrente, naast de helft van forfaitair ƒ 150,- voor andere vaste lasten en onderhoud. 6. Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de vader een kinderalimentatie toelaat van ƒ 250,- per maand. 7. De vader heeft tot juli 1999 vrijwillig een bedrag van ƒ 175,- per maand betaald. De vader komt in beginsel, wegens betaling achteraf, niet in aanmerking voor de forfaitaire fiscale buitengewone lastenaftrek voor kinderalimentatie. In het licht van bovenstaande acht het hof het redelijk als ingangsdatum 1 juli 2000 te nemen, en de kinderalimentatie tot 1 juli 2000 overeenkomstig het verzoek van de moeder te bepalen op hetgeen in feite is betaald. 8. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd en dat dient te worden beslist als volgt. BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en, in zover-re opnieuw be-schik-ken-de: bepaalt de door de vader aan de moeder te beta-len kin-der-alimentatie tot 1 juli 2000 op hetgeen in feite is betaald en met ingang van 1 juli 2000 op ƒ 250,- per maand; verklaart deze beschikking tot zover uitvoer-baar bij voor-raad; wijst het in hoger beroep meer of anders ver-zochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Hehemann, Koning en De Bruijn-Lückers, bijge-staan door mr. Philippa als griffier, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 28 juni 2000.