Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0089

Datum uitspraak2001-01-11
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/76533
Statusgepubliceerd


Indicatie

AC-procedure / Togo / herhaalde asielaanvraag. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn onderhavige - derde - aanvraag om toelating aangevoerd dat hij nog immer te vrezen heeft voor vervolging in Togo. Hiertoe heeft hij een namenlijst overgelegd waarop namen van personen staan vermeld - waaronder de naam van verzoeker - die worden gezocht vanwege lidmaatschap van een oppositiepartij. Verzoeker heeft deze lijst ter staving van zijn eerste aanvraag reeds genoemd, maar is eerst in 1998 in het bezit van de lijst gekomen. Voorts heeft verzoeker - reeds in het nader gehoor ten behoeve van zijn tweede aanvraag - gesteld dat hij na zijn uitzetting naar Togo gevangen is genomen en gedurende de daaropvolgende detentie is ondervraagd en gemarteld. Hoewel moet worden toegegeven dat verzoeker de kopie van de namenlijst in een laat stadium heeft overgelegd, laat dit onverlet dat deze onderbouwing van een door verzoeker eerder ingenomen stelling wel degelijk nieuw licht op de zaak zou kunnen werpen. Weliswaar betreft genoemd document een kopie, maar daar staat tegenover dat naar het oordeel van de president op betrekkelijk eenvoudige wijze de herkomst van de namenlijst te verifiëren zal zijn. De president is bovendien van oordeel dat verzoekers verklaringen aangaande zijn aanhouding en daaropvolgende detentie na zijn terugkeer in Togo in 1996 passen in het beeld dat in de door verzoeker overgelegde brief van Amnesty International van 23 maart 2000 wordt geschetst. Voorts heeft de gemachtigde van verzoeker ter zitting verklaard dat de medische onderzoeksgroep van Amnesty International de zaak van verzoeker in behandeling heeft genomen naar aanleiding van verzoekers klachten over de ondergane martelingen in zijn land van herkomst. Toewijzing verzoek.


Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht vreemdelingenkamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a Vreemdelingenwet Reg.nr.: AWB 00/76533 VRWET Inzake: A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. B.F.Th. de Roos, advocaat te Breda, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde, mr. L.C. Bannink, ambtenaar ten departemente. 1. ZITTING Datum: 5 januari 2001. Zitting hebben: mr. M.A.A. Mondt-Schouten, president, mr. E. Witvoet, griffier. Ter zitting zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde. Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen medegedeeld dat op 11 januari 2001 om 14.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld. 2. OVERWEGINGEN In geschil is de niet-inwilliging d.d. 23 december 2000 van de aanvraag van verzoeker om toelating als vluchteling en in verband daarmee verweerders besluit dat de beslissing op het bezwaar hier te lande niet mag worden afgewacht. Vooreerst is van belang dat verzoeker reeds eerder aanvragen om toelating als vluchteling heeft ingediend. Zo heeft verzoeker een aanvraag ingediend op 30 november 1993. Op deze aanvraag is door verweerder op 23 juni 1994 afwijzend beslist. Bij rechterlijke uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Zwolle van 18 maart 1996, met als kenmerk AWB 95/6662 VRWET, is het ingestelde beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar, ongegrond verklaard. Nadat verzoeker is uitgezet naar Togo op 23 mei 1996, is verzoeker naar zijn zeggen op 15 mei 1997 wederom Nederland ingereisd. Op 6 april 1998 is verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld en hij heeft een tweede aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Alvorens zijn beslissing op deze aanvraag af te wachten, is verzoeker met onbekende bestemming vertrokken. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn onderhavige - derde - aanvraag om toelating aangevoerd dat hij nog immer te vrezen heeft voor vervolging in Togo. Hiertoe heeft hij een namenlijst overgelegd waarop namen van personen staan vermeld - waaronder de naam van verzoeker - die worden gezocht vanwege lidmaatschap van een oppositiepartij. Verzoeker heeft deze lijst ter staving van zijn eerste aanvraag reeds genoemd, maar is eerst in 1998 in het bezit van de lijst gekomen. Voorts heeft verzoeker - reeds in het nader gehoor ten behoeve van zijn tweede aanvraag - gesteld dat hij na zijn uitzetting naar Togo gevangen is genomen en gedurende de daaropvolgende detentie is ondervraagd en gemarteld. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 15c, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet (Vw). De president overweegt het volgende. Hoewel moet worden toegegeven dat verzoeker de kopie van de namenlijst in een laat stadium heeft overgelegd, laat dit onverlet dat deze onderbouwing van een door verzoeker eerder ingenomen stelling, wel degelijk nieuw licht op de zaak zou kunnen werpen. Weliswaar betreft genoemd document een kopie, maar daar staat tegenover dat naar het oordeel van de president op betrekkelijk eenvoudige wijze de herkomst van de namenlijst te verifiëren zal zijn. De president is bovendien van oordeel dat verzoekers verklaringen aangaande zijn aanhouding en daaropvolgende detentie na zijn terugkeer in Togo in 1996 passen in het beeld dat in de door verzoeker overgelegde brief van Amnesty International van 23 maart 2000 wordt geschetst. Voorts heeft de gemachtigde van verzoeker ter zitting verklaard dat de medische onderzoeksgroep van Amnesty International de zaak van verzoeker in behandeling heeft genomen naar aanleiding van verzoekers klachten over de ondergane martelingen in zijn land van herkomst. Gelet op al het vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten dat de aanvraag van verzoeker om toelating in Nederland kan worden afgedaan in het kader van de zogenaamde AC-procedure. Het verzoek wordt dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid, Vw, toegewezen. De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden. 3. BESLISSING: De president: 1. wijst het verzoek toe, in zoverre dat verzoeker niet wordt uitgezet binnen vier weken na de beslissing op bezwaar; 2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- , onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen; 3. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt. Verzonden op: