
Jurisprudentie
AB0088
Datum uitspraak2000-06-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers313 H 00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers313 H 00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 14 juni 2000
Rek.nummer: 313 H 00
Rek.nr.rb.: JE RK 00-286
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam minderjarige],
wonende te [woonplaats minderjarige]
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de minderjarige,
procureur mr. M.R. Mantz,
Als belanghebbenden zijn opgeroepen:
1. de raad voor de kinderbescherming, vestiging Den Haag,
hierna te noemen: de raad,
2. de Stichting Jeugdzorg Den Haag/Zuid Holland Noord, kantoor houdend te Voorburg
hierna te noemen: Jeugdzorg,
3. [naam moeder], wonende te [woonplaats moeder],
hierna te noemen: de moeder,
4. [naam vader], wonende te [woonplaats vader],
hierna te noemen: de vader.
HET GEDING
De moeder heeft het ouderlijk gezag over haar min-derja-rig kind:
[naam minderjarige], geboren op 14 augustus 1984 te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 3 augustus 1999 heeft de kinderrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage de minderjarige onder toe-zicht gesteld voor de periode van 3 augustus 1999 tot 3 augustus 2000.
Bij beschikking van 25 februari 2000 heeft de rechtbank de Raad voor de Rechtsbijstand bevolen een raadsman toe te voegen aan de minderjarige. De Raad voor de Rechtsbijstand heeft mr. Knoester, kantoorhoudende te 's-Gravenhage, aan de minderjari-ge toegevoegd.
Bij beschikking van 21 maart 2000 heeft de kinderrechter de stichting Jeugdbescherming en -reclassering Den Haag gemach-tigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaat-sen in een inrichting als bedoeld in artikel 1:261 lid 4 BW van 21 maart 2000 tot 12 april 2000.
Bij beschikking van 11 april 2000 heeft de kinderrechter de stichting Jeugdbescherming en -reclassering Den Haag gemach-tigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaat-sen in een inrichting als bedoeld in artikel 1:261 lid 4 BW van 12 april 2000 tot 19 april 2000 en iedere verdere beslis-sing aangehouden tot 18 april 2000.
Bij beschikking van 18 april 2000 heeft de kinder-rech-ter de stichting Jeugdbescherming en -reclassering Den Haag ge-mach-tigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaat-sen in een inrichting als bedoeld in artikel 1:261 lid 4 BW van 19 april 2000 tot 3 augustus 2000.
De minderjarige is van deze beschikking tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht aan haar (ambtshalve) toe te voegen als advocaat mr. M.R. Mantz en de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als het hof juist toeschijnt.
Op 24 mei 2000 heeft het hof het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 5 juli 1999, betreffende de minderjari-ge, ontvangen.
Op 29 april, 1, 4, 18 en 30 mei 2000 heeft het hof brieven, respectievelijk een faxbericht, van mr. Mantz ontvan-gen.
Op 30 mei 2000 heeft het hof een brief met als bijlage de pleitnota van mr. Schlicher, raadsvrouwe van Jeugdzorg, ont-vangen.
Op 31 mei 2000 heeft het hof bij beschikking aan de Raad voor de Rechtsbijstand bevolen mr. M.R. Mantz als raadsman toe te voegen aan de minderjarige.
Op 31 mei 2000 is de zaak mondeling behandeld.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. In haar pleitnota heeft Jeugdzorg allereerst aan de orde gesteld de vraag of de minderjarige processueel bekwaam kan worden geacht, nu zij zelfstandig, niet vertegenwoordigd door een wettig vertegenwoordiger dan wel een bijzonder curator, procedeert.
2. Volgens de Nederlandse wetgeving komt in beginsel aan een minderjarige niet het recht toe om zelfstandig het rechtsmid-del van hoger beroep aan te wenden. Dit recht komt in beginsel toe aan de ouder die het gezag uitoefent. In dit geval is dat de moeder. De moeder is het eens met de machtiging tot plaat-sing in een gesloten inrichting en heeft daartegen geen beroep ingesteld, noch zelf, noch in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige. Dit betekent dat de belangen van de minderjarige in strijd zijn met de belangen van de met het gezag belaste ouder, zodat ex artikel 1:250 BW een bijzondere curator benoemd dient te worden. De minderjari-ge is ingevolge de bestreden beschikking uit huis geplaatst in een gesloten inrichting. Er is dus sprake van een vrijheidsbe-neming. Artikel 5 lid 4 van het Europese Verdrag tot bescher-ming van de Rechten van de Mens en artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind geven de minderjarige het recht om de rechtmatigheid van haar vrijheidsbeneming aan de rechter voor te leggen en op een onverwijlde beslissing ten aanzien van het door haar ingestelde beroep. Gelet op de inbreuk die de maatregel maakt op de persoonlijke vrijheid van de minder-jarige en het spoedeisende karakter van de procedure kan de benoeming van een bijzondere curator niet worden afgewacht en is de minderjarige ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep.
DE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
3. De minderjarige heeft in hoger beroep allereerst aan de orde gesteld dat zij meent dat onvoldoende rekening is gehou-den met haar wensen en belangen ten aanzien van de keuze van een advocaat, en dat deze advocaat stelselmatig buiten de procedure is gehouden.
4. Het hof heeft kennis genomen van de processtukken uit de eerste aanleg en van de door mr. Mantz overgelegde - uitge-breide - verzameling confraternele correspondentie met mrs. Knoester en Van Hulst, alsmede van de correspondentie van mr. Mantz met de rechtbank.
Uit deze stukken blijkt naar het oordeel van het hof niet dat de minderjarige in haar belangen is geschaad. Aan haar is een raadsman toegevoegd door de Raad voor de Rechtsbijstand. Deze raadsman is op alle zittingen bij de rechtbank aanwezig ge-weest en heeft haar belangen behartigd. Hij heeft het belang van een persoonlijke toelichting van de situatie door de minderjarige aan de kinderrechter onderstreept en de angst van de minderjarige om ter zitting te verschijnen uitgelegd. Daarom heeft Jeugdzorg ter zitting van 11 april 2000 toegezegd de verleende machtiging tot plaatsing in een gesloten inrich-ting niet ten uitvoer te zullen leggen voor 19 april 2000, zodat de minderjarige zonder angst zou kunnen verschijnen ter zitting van 18 april 2000 om een persoonlijke toelichting te geven. Deze toezegging van Jeugdzorg heeft mr. Knoester, de toegevoegd raadsman, medegedeeld aan mr. Mantz. De minderjari-ge is evenwel niet verschenen.
Zij is dan ook niet in haar belangen geschaad doordat mr. Knoester in plaats van mr. Mantz haar belangen vertegenwoor-digd heeft.
5. Ook kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat mr. Mantz ten onrechte gedwarsboomd is in de procedure in eerste aanleg. Mr. Knoester is door de Raad voor de Rechtsbij-stand aan de minderjarige toegevoegd om haar belangen te behartigen in de procedure voor de kinder-rechter. De rechtbank heeft terecht hem, en niet mr. Mantz als aanspreekpunt geno-men.
6. De minderjarige heeft zich in hoger beroep ook inhoudelijk verzet tegen de plaatsing in een gesloten inrichting. Zij meent dat dit niet in haar belang is en wil zich samen met haar vriend in hun huis voorbereiden op de komst van hun kind. Zij wil ook weer naar school gaan.
Uit de stukken is gebleken dat zowel de raad voor de kinderbe-scherming als Jeugdzorg grote zorgen hebben bij de ontwikke-ling van [naam minderjarige]. Zij is thans 15 jaar oud en zwanger van haar 31-jarige vriend [naam vriend]. Zij bezoekt geen school en houdt zich schuil voor haar moeder en Jeugdzorg. Ter zitting is niet gebleken dat in deze situatie verbetering is opgetreden. Het hof constateert dat er sprake is van ernstige ge-dragsproblemen bij [naam minderjarige]. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het noodza-ke-lijk is in het belang van de verzor-ging en opvoeding van [naam minderjarige], mede gelet op voornoemde ernstige gedragsproble-men, om haar dag en nacht uit huis te plaat-sen in een geslo-ten inrich-ting. Bovendien kan dan het door Jeugdzorg bij het ABJ aange-vraagde spoed-persoonlijk-heidson-derzoek van [naam minderjarige] plaatsvin-den in een situatie waarin zij zo min moge-lijk door externe factoren wordt beïnvloed
7. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.
DE BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de minderjarige ontvankelijk in haar beroep;
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;
Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, de Bruijn-Lückers en Jansen, bijge-staan door mr. Louwinger-Rijk als griffier en uit-ge-spro-ken ter openba-re terechtzitting van 14 juni 2000.