Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0087

Datum uitspraak2001-02-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers700-H-00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 14 februari 2001 Rekestnummer : 700-H-00 Rekestnr. rechtbank : 00-4122 GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER B e s c h i k k i n g in de zaak van [naam vrouw], wonende te [woonplaats vrouw], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. M.H. van Beurden, tegen [naam man], wonende te [woonplaats man], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, procureur mr. M.F. Laning. PROCESVERLOOP De vrouw is op 14 september 2000 in hoger beroep gekomen van de beschikking in het kader van voorlopige voorzieningen van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 31 augustus 2000. Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof brieven met bijlagen ingekomen, gedateerd 3 oktober 2000, 3 november 2000 en 22 december 2000. Op 3 januari 2001 is de zaak mondeling behandeld. De partijen zijn hoewel daartoe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen. VASTSTAANDE FEITEN Op grond van de stukken staat tussen de partijen het volgende vast. De man en de vrouw zijn op 11 september 1993 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Op 13 maart 2000 heeft de vrouw een verzoek tot voorlopige voorzieningen, tevens verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank te ’s-Gravenhage. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 20 april 2000 heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie voorlopig bepaald op ƒ 3.375,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - met wijziging in zoverre van de beschikking van 20 april 2000 - de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 20 april 2000 voorlopig bepaald op ƒ 2.960,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. DE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en voor zover nodig de beschikking van 20 april 2000 te bekrachtigen. Zij voert hiertoe één grief aan. 2. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken is vast komen te staan dat de rechtbank -zonder de partijen te horen en zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag lag - bij de bestreden beschikking de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie ambtshalve heeft verlaagd van ƒ 3.375,- naar ƒ 2.960,- per maand. Met de vrouw is het hof van oordeel dat de vrouw in haar beroep ontvankelijk is, ondanks het appèlverbod van artikel 824 lid 1 Rv. omdat de rechtbank buiten de rechtstrijd tussen de partijen is getreden. De partijen zijn bovendien voorafgaand aan de bestreden beschikking niet gehoord, zodat er geen sprake is geweest van hoor en wederhoor, hetgeen schending van een fundamenteel rechtsbeginsel oplevert. 3. Gelet op het bovenstaande zal het hof de vrouw ontvangen in haar verzoek en de bestreden beschikking vernietigen. 4. Nu de rechtbank het inleidend verzoek van de man heeft afgewezen, aangezien zij de daaraan ten grondslag liggende argumenten ondeugdelijk achtte en de man daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het hof het inleidend verzoek van de man afwijzen. BESLISSING Het hof: verklaart de vrouw ontvankelijk in haar hoger beroep; vernietigt de bestreden beschikking; wijst het inleidend verzoek van de man af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Fockema Andreae-Hartsuiker en De Bruijn-Lückers, bijge-staan door mr. Pier als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 14 februari 2001.