
Jurisprudentie
AB0084
Datum uitspraak2000-12-07
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZwolle
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/269
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZwolle
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/269
Statusgepubliceerd
Indicatie
Voortgezet verblijf / termijnoverschrijding / verschoonbaarheid
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder bij de brief van 31 januari 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer zijn beleid inzake voortgezette toelating zou hebben gewijzigd. De betreffende brief bevat naar het oordeel van de rechtbank geen beleidswijziging voor wat betreft voortgezette toelating van hier te lande toegelaten vreemdelingen, doch slechts een aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt voornemen tot wijziging van het gevoerde beleid.
Eiser heeft niet tijdig de geldigheidsduur van zijn vtv verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Dat eiser zich tot 5 oktober 1998 in strafrechtelijke detentie bevond kan naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig gelden. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser in Nederland gedetineerd was, zodat van daaruit actie kon worden genomen in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van zijn vtv. Niet valt in te zien waarom eiser, vanuit het Huis van Bewaring waar hij gedetineerd was, geen contact heeft opgenomen met de vreemdelingendienst.
Beroep ongegrond.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Zittingsplaats Zwolle
Vreemdelingenkamer
regnr.: Awb 00/269 VRWET Z VR
UITSPRAAK
inzake: A,
geboren op [...] 1976,
verblijvende te B,
van Somalische nationaliteit,
IND dossiernummer 9210.23.0244,
eiser,
gemachtigde: mr. H.F.J.L. van Pelt, advocaat te Arnhem;
tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
verweerder,
gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage.
1 PROCESVERLOOP
1.1 Aan eiser, die op 23 oktober 1992 aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf heeft gedaan, is bij beschikking van 15 november 1993 een vergunning tot verblijf verleend, met ingang van
23 oktober 1992. De geldigheidsduur van de aan eiser verleende vergunning tot verblijf is laatstelijk verlengd tot 14 april 1998.
1.2 Op 21 oktober 1998 heeft eiser een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf gedaan.
1.3 Eiser heeft bij brief van 21 juli 1999 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar. Bij brief van 22 september 1999 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing
op het bezwaar. Bij uitspraak van 26 november 1999 (Awb 99/7745) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak op eisers bezwaar te beslissen.
1.4 Bij brief van 5 januari 2000 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar.
1.5 Bij beschikking van 28 maart 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
1.6 Bij beroepschrift van 20 april 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.
De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 1 november 2000. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Van Asperen.
2 OVERWEGINGEN
2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.
2.2 De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij uitspraak van 26 november 1999 (Awb 99/7745) een termijn van zes weken is gesteld om te beslissen op het bezwaar van eiser. Deze termijn is eerst op 7 januari 2000 verstreken.
Aangezien de termijn van zes weken op 5 januari 2000, toen eiser voor de tweede maal beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar, nog niet verstreken was, is het beroep prematuur ingesteld.
Het beroep is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.
2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat verzoeker binnen zes maanden een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de hem verleende vergunning tot verblijf heeft ingediend. Niet gebleken is
dat de termijnoverschrijding eiser niet valt toe te rekenen. Eisers aanvraag dient derhalve te worden getoetst aan de voorwaarden voor eerste toelating. Eiser is diverse malen veroordeeld voor het plegen van een misdrijf, zodat
toelating op deze grond kan worden geweigerd. Niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan aan eiser verblijf in Nederland dient te worden toegestaan. Eiser, die behoort tot de Isaaq-Habr Awal-clan,
kan zich bij zijn familie in Noord Somalië vestigen.
2.4 Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf te verlengen. Bij brief van 31 januari 2000 aan de voorzitter van de
Tweede Kamer heeft verweerder zijn beleid gewijzigd; ongeacht de termijn waarbinnen verzocht is om verlenging van de geldigheidsduur van de verleende vergunning tot verblijf, wordt getoetst aan de criteria voor voortgezette
toelating.
Voorts heeft eiser zich binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn vergunning tot verblijf gemeld bij de vreemdelingendienst, in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van zijn vergunning tot
verblijf. Voor zover moet worden aangenomen dat eiser zich niet tijdig heeft gemeld bij de vreemdelingendienst kan zulks aan eiser niet worden tegengeworpen. Eiser was tot 5 oktober 1998 gedetineerd. De brief van de
vreemdelingendienst, waarin hij er op gewezen werd dat hij de geldigheidsduur van zijn vergunning tot verblijf nog niet had verlengd, heeft eiser ten gevolge van omstandigheden welke hem niet zijn toe te rekenen niet bereikt.
Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat, voor zover moet worden getoetst aan de voorwaarden voor eerste toelating, verweerder de betrokken belangen op onzorgvuldige wijze heeft afgewogen en eiser ten onrechte een vergunning
tot verblijf heeft onthouden.
2.5 Verweerder voerde, ten tijde van de indiening van eisers aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf, het beleid dat de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een
vergunning tot verblijf niet wordt afgewezen op de enkele grond dat deze te laat is ingediend, indien:
a) daarbij een termijn van zes maanden niet is overschreden; of
b) het gaat om een vreemdeling die binnen zes maanden na ontslag uit militaire dienst of beëindiging van detentie in het buitenland naar Nederland is teruggekeerd.
De enige uitzondering op deze regel vormt, in het destijds door verweerder gevoerde beleid, de vreemdeling die volledig buiten zijn schuld niet tijdig zijn aanvraag heeft kunnen indienen.
2.6 De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder bij de brief van 31 januari 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (5002821/99/DVB) zijn beleid inzake voortgezette toelating zou hebben gewijzigd. Al hoewel de
rechtbank, in navolging van de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 14 maart 1996 (Awb 95/11290; RV 1996/8), van oordeel is dat verweerder een beleidswijziging ook door toezending van een brief aan de voorzitter van de Tweede
Kamer kan bekendmaken, bevat de brief van verweerder van 31 januari 2000 naar het oordeel van de rechtbank geen beleidswijziging voor wat betreft voortgezette toelating van hier te lande toegelaten vreemdelingen. Gelet op de
bewoordingen van de brief van 31 januari 2000 was naar het oordeel van de rechtbank veeleer sprake van een aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt voornemen tot wijziging van het gevoerde beleid. In de op bladzijde 3 en 4 van de brief
opgenomen conclusie wordt immers duidelijk vermeld dat verweerder voornemens is een aantal wijzigingen door te voeren. Op dit beleidsvoornemen kon de Tweede Kamer nog reageren, wat ook daadwerkelijk gebeurd is en geresulteerd heeft
in een enigszins ander beleid dan verweerder zich oorspronkelijk had voorgenomen. De rechtbank leidt voorts uit de laatste alinea van de brief af dat verweerder eerst na instemming van de Kamer, hangende het te vragen advies van de
Raad van State, voornemens is beleidsmatig vooruit te lopen op de voorgestelde wijziging. Van een wijziging van het gevoerde beleid bij de brief van 31 januari 2000, was naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen sprake.
2.7 De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser zich binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf bij de korpschef heeft gemeld. Naar het oordeel van de rechtbank
heeft verweerder eisers stelling dat hij zich reeds op de dag van zijn invrijheidstelling, op 5 oktober 1998, zou hebben gemeld bij de vreemdelingendienst, op voldoende zorgvuldige wijze onderzocht. Verweerder mocht afgaan op de
verkregen inlichtingen van de vreemdelingendienst te Barneveld, blijkens welke informatie noch uit het dossier van eiser, noch uit de computer van de vreemdelingendienst blijkt dat eiser op die dag zou zijn langsgekomen, terwijl van
ieder bezoek van een vreemdeling een aantekening wordt gemaakt. Eiser is er niet in geslaagd om op enigerlei wijze aannemelijk te maken dat hij zich op die dag, althans binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur
van de aan hem verleende vergunning tot verblijf, heeft gemeld bij de korpschef in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf. De aanvraag is derhalve niet ingediend binnen de
termijn van zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf, waarbinnen verweerder, op grond van het destijds gevoerde beleid, de termijnoverschrijding verschoonbaar achtte.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook anderszins niet gebleken van gronden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Dat eiser zich tot 5 oktober 1998 in strafrechtelijke detentie bevond kan naar
het oordeel van de rechtbank niet als zodanig gelden. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser in Nederland gedetineerd was, zodat van daaruit aktie kon worden ondernomen in verband met de verlenging van de geldigheidsduur van zijn
vergunning tot verblijf. Niet valt in te zien waarom eiser, vanuit het Huis van Bewaring waar hij gedetineerd was, geen contact heeft opgenomen met de vreemdelingendienst in Barneveld. Dat eiser een brief van de vreemdelingendienst
niet heeft ontvangen, doordat de Sociale Dienst deze niet aan eiser had doorgestuurd, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van eiser om zelf zorg te dragen voor de verlenging van de geldigheidsduur van zijn vergunning tot
verblijf. Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank in dit verband nog dat de vreemdelingendienst destijds (nog) niet verplicht was om vreemdelingen schriftelijk te wijzen op het belang van tijdige indiening van een aanvraag om
voortgezette toelating.
Ook het psychologisch rapport van 30 december 1999 biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser psychisch niet in staat was om zorg te dragen voor de tijdige indiening van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur
van de aan hem verleende vergunning tot verblijf.
De termijnoverschrijding was derhalve niet verschoonbaar en verweerder heeft in redelijkheid kunnen weigeren om de geldigheidsduur van de aan eiser verleende vergunning tot verblijf te verlengen op de grond dat de verlenging te laat
is aangevraagd.
2.8 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vreemdelingenwet (Vw) kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang
ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten -
slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.
2.9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in het kader van de beoordeling of eiser op grond van het beleid inzake eerste toelating in aanmerking kwam voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen, in redelijkheid een
vergunning tot verblijf aan eiser heeft mogen weigeren. Op grond van het beleid van verweerder, zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc. 1994), A4/4.3.2.1, kon eerste toelating worden geweigerd op grond van iedere al
dan niet onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke geldboete wegens een misdrijf. Eiser is diverse malen strafrechtelijk veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf, ondermeer
tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Gelet op het door verweerder gevoerde beleid inzake eerste toelating heeft verweerder op grond
hiervan een vergunning tot verblijf aan eiser mogen weigeren.
De rechtbank is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden, dat verweerder in redelijkheid niet had mogen vasthouden aan voornoemde beleidsegel. Weliswaar heeft eiser geruime tijd in Nederland verbleven, maar niet gebleken
is dat eisers banden met zijn land van herkomst geheel verbroken zouden zijn. Voorts is van belang dat eisers clan, de tot de clanfamilie Isaaq behorende Habr Awal-clan, over een eigen clangebied beschikt in het relatief veilige
noorden van Somalië. Van burgeroorlog is in het clangebied van eisers clan al sinds vele jaren geen sprake meer.
Ook overigens is niet aannemelijk dat sprake is van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat eiser hieraan, in afwijking van het door verweerder gevoerde beleid inzake de openbare orde, een aanspraak kan ontlenen op
verlening van een vergunning tot verblijf.
2.11 Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen te verlenen.
2.12 Het beroep is derhalve in zoverre ongegrond.
2.13 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.
3 BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door verweerder;
- verklaart het beroep ongegrond, voor zover gericht tegen de beschikking van 28 maart 2000
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier, op 7 december 2000
----------------
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).
Afschrift verzonden: 7 december 2000