Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0080

Datum uitspraak2000-07-14
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/11675
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mvv / gezinsband / nova. In 1994 heeft eiseres een aanvraag om afgifte van een mvv ingediend op basis van het gezinsherenigingsbeleid. De minister van Buitenlandse Zaken heeft die mvv niet verleend met als enig argument dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar moeder is verbroken. Hiertegen is geen beroep ingesteld. Dan vraagt zij aan de staatssecretaris van Justitie om afgifte van een vtv op basis van het verruimde gezinsherenigingsbeleid. Ook die is haar geweigerd. Bij de beoordeling stelt de rechtbank allereerst vast dat zowel met betrekking tot de afgifte van een mvv als met betrekking tot de - volgtijdelijk daarna aan de orde komende - afgifte van de gevraagde vtv onder meer wordt getoetst aan het criterium feitelijk behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. Vervolgens merkt de rechtbank op dat het beleid met betrekking tot de uitleg van dit criterium in beide procedures identiek is. Vaststaat dat eiseres niet tijdig een rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit waarin haar de mvv werd geweigerd. Als gevolg daarvan is dat besluit in rechte onaantastbaar geworden. Daarmee is in de toelatingsprocedure alstoen in rechte vast komen te staan dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar moeder is verbroken. Door indiening van de onderhavige aanvraag wenst eiseres feitelijk dat wordt teruggekomen van dit voor haar ongunstige standpunt. Dat legt op eiseres de verplichting om bij verweerder nieuw gebleken feiten of omstandigheden te noemen die tot een voor haar gunstiger resultaat kunnen leiden. Daarvan is niet gebleken.


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer Uitspraak artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 99/11675 VRWET inzake : A. , wonende te B., eiseres, tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Eiseres, geboren op [...] 1978, bezit de Ghanese nationaliteit. Op 28 augustus 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 2 april 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit op 29 april 1999, aangevuld bij schrijven van 21 mei 1999, bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 17 september 1999 ongegrond verklaard. 2. Bij beroepschrift van 15 oktober 1999, aangevuld bij schrijven van 14 december 1999, heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 8 februari 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 26 mei 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2000. Eiseres noch haar gemachtigde, mr. R.L. Braakman, advocaat te Amsterdam, is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.A. van Lint, ambtenaar bij de Immigratie - en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. II. OVERWEGINGEN 1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. 2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. C, de moeder van eiseres, verblijft sinds 8 april 1987 in Nederland. Zij is op 25 september 1990 in het huwelijk getreden met een Nederlander, de heer D. Op 11 oktober 1994 heeft C als wettelijk vertegenwoordiger van eiseres een aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. Eiseres wenste verblijf in Nederland met als doel: “verblijf bij Nederlandse moeder C”. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in het besluit op bezwaar van 12 april 1996 de gevraagde mvv niet verleend, met als enig argument dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en C is verbroken. Hiertegen is geen beroep ingesteld. Eiseres verblijft sinds 28 juni 1998 in Nederland. Op 28 augustus 1998 heeft zij zonder nadere motivering onderhavige aanvraag ingediend met als doel: “verblijf bij Nederlandse moeder C”. 3. In het bezwaarschrift heeft eiseres aangevoerd dat haar moeder weliswaar reeds in 1987 naar Nederland is gekomen, maar dat haar moeder altijd zorg is blijven dragen voor eiseres. Ter onderbouwing daarvan heeft eiseres twee bankoverschrijvingen uit 1993 overgelegd. 4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die niet reeds bij de totstandkoming van de beslissingen van 15 september 1995 en 12 april 1996 zijn meegewogen. Voorts heeft verweerder overwogen dat de argumenten – voorzover aanwezig – die zijn aangevoerd om de conclusie van de beschikking van 12 april 1996 te betwisten op geen enkele wijze nader zijn gemotiveerd en onderbouwd met objectieve gegevens. Tevens wordt overwogen dat ten aanzien van eiseres geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd dient te worden dat de achterlating van eiseres in het land van herkomst een onevenredige hardheid zou betekenen. 5. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat C destijds niet vrijwillig heeft gekozen tussen verblijf in Nederland of verblijf bij haar kinderen in Ghana. Door de ziekte van haar jongste zoon was zij gedwongen in Nederland te blijven. Ze heeft altijd zorg gedragen voor de in Ghana achtergebleven kinderen. Reeds eerder heeft ze getracht eiseres te laten overkomen. 6. Verweerder heeft in het verweerschrift het in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. In aanvulling hierop heeft verweerder opgemerkt dat het besluit van 12 april 1996 waarbij de mvv is geweigerd, in rechte onaantastbaar is geworden. Als uitgangspunt dient derhalve te worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband tussen C en eiseres is verbroken. Aangezien de gezinsband reeds in het buitenland moet hebben bestaan, is herstel van de feitelijke gezinsband enkel en alleen mogelijk wanneer deze is hersteld in het buitenland. Hiervan is geen sprake. De rechtbank overweegt het volgende. 7. Eiseres wenst in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf op basis van het beleid inzake verruimde gezinshereniging, zoals dit is opgenomen in hoofdstuk B1/7 van de Vc 1994. Voor toelating op basis van dit beleid is – onder meer – vereist dat eiseres feitelijk moet behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan. 8. De rechtbank stelt allereerst vast dat zowel met betrekking tot de afgifte van een mvv als met betrekking tot de – volgtijdelijk daarna aan de orde komende - afgifte van een vergunning tot verblijf onder meer wordt getoetst aan het criterium ‘feitelijk behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd’, indien om toelating wordt gevraagd op basis van het (verruimde) gezinsherenigingsbeleid. De rechtbank stelt voorts vast dat het beleid met betrekking tot de uitleg van dit criterium in beide procedures identiek is. 9. Vast staat dat eiseres niet tijdig een rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 12 april 1996. Als gevolg daarvan is dat besluit in rechte onaantastbaar geworden. Daarmee is in de toelatingsprocedure alstoen in rechte vast komen te staan dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en haar moeder, C, is verbroken. 10. Door indiening van de onderhavige aanvraag wenst eiseres feitelijk dat wordt teruggekomen van dit voor haar ongunstige standpunt. Dat legt op eiseres de verplichting om bij verweerder nieuw gebleken feiten of omstandigheden te noemen die tot een voor haar gunstiger resultaat kunnen leiden. Verweerder stelt zich – zakelijk samengevat en juridisch vertaald – op het standpunt dat na 12 april 1996 geen nieuwe feiten of veranderende omstandigheden aan de dag zijn getreden die hem noopten danwel aanleiding hadden moeten geven tot heroverweging van het in rechte vaststaande feit dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en C is verbroken. De rechtbank is van oordeel dat zulks ook haar niet is gebleken. De (slechts) twee geldoverschrijvingen uit 1993, die eiseres bij het bezwaarschrift heeft overgelegd, heeft verweerder terecht niet als zodanig gekwalificeerd. Voorts is de stelling dat eiseres zich in Ghana in een sociaal-maatschappelijk isolement bevond toegelicht noch onderbouwd. 11. De conclusie is dan ook dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 12. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. 13. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken. III. BESLISSING De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2000, door mr. A. Wolfsen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Jacobsz, griffier. Afschrift verzonden op: 6 november 2000 Conc.: NJ Coll: Bp: - D: B 110497