
Jurisprudentie
AB0066
Datum uitspraak2000-12-28
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/73880
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/73880
Statusgepubliceerd
Indicatie
AC-procedure / Iran / bekeerling / motie.
Alhoewel verzoekers verklaringen betreffende zijn bekering tot het christelijke geloof niet op voorhand in alle opzichten geloofwaardig kunnen worden geacht, is de president er niet van overtuigd geraakt dat de onderhavige zaak zich leende voor afdoening volgens het zogenoemde AC-model. De president acht voorts van belang dat, naar hem is gebleken, in de Tweede Kamer een motie is aangenomen. Volgens deze motie is de Kamer van oordeel dat bekeerlingen uit landen als Iran, waar op geloofsafval en -overgang de doodstraf is gesteld, bij terugkeer grote risico’s kunnen lopen. Zij spreekt haar mening uit dat bij beoordeling van asielaanvragen van bekeerde moslims als leidend uitgangspunt behoort te gelden dat bekeerde moslims bij terugkeer naar Iran hun nieuwe geloof op dezelfde wijze kunnen belijden als de overige niet-moslims in Iran. De president acht in het onderhavige geval van belang dat, alvorens op verzoekers bezwaar of over de kansrijkheid daarvan wordt beslist, duidelijkheid bestaat ten aanzien van de vraag of verweerder naar aanleiding van vorengenoemde motie zijn beleid jegens Iraanse bekeerlingen die hier te lande hebben verzocht om toelating als vluchteling op enigerlei wijze wijzigt. Ter zitting kon de gemachtigde van verweerder desgevraagd echter geen toelichting geven op een (eventuele) nadere standpuntbepaling van verweerder terzake.
Toewijzing verzoek.
Uitspraak
President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a Vreemdelingenwet
Reg.nr.: AWB 00/73880 VRWET
Inzake: A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde mr. R.E. Temmen,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. L.C. Harderwijk.
1. ZITTING
Datum: 21 december 2000.
Zitting hebben:
mr. J.W. Sentrop, president,
mr. M. van der Zwan, griffier.
Ter zitting zijn zowel verzoeker als verweerder bij gemachtigde verschenen.
Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen meegedeeld dat op 28 december 2000 om 14.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld.
2. OVERWEGINGEN
In geschil is de niet-inwilliging d.d. 7 december 2000 van de aanvraag van verzoeker om toelating als vluchteling en in verband daarmee verweerders besluit dat de beslissing op het bezwaar niet hier te lande mag worden afgewacht.
Alhoewel verzoekers verklaringen betreffende zijn bekering tot het christelijke geloof niet op voorhand in alle opzichten geloofwaardig kunnen worden geacht, is de president er niet van overtuigd geraakt dat de onderhavige zaak zich
leende voor afdoening volgens het zogenoemde AC-model.
Daarbij is allereerst redengevend dat verzoeker (kopieën van) documenten heeft overgelegd die ten tijde van de zitting nog niet waren vertaald. De president acht van belang dat, alvorens op verzoekers bezwaar danwel over de
kansrijkheid daarvan kan worden beslist, vertalingen van die documenten bij partijen bekend zijn.
De president acht voorts van belang dat, naar hem is gebleken, in de Tweede Kamer op 7 november 2000 een (gewijzigde) motie is aangenomen van de leden Rouvoet en Van der Staaij, die luidt: "De Kamer, gehoord de beraadslaging, van
oordeel, dat 'bekeerlingen' uit landen als Iran, waar op geloofsafval en -overgang de doodstraf is gesteld, bij terugkeer grote risico's kunnen lopen; spreekt als haar mening uit dat bij beoordeling van asielaanvragen van bekeerde
moslims als leidend uitgangspunt behoort te gelden dat bekeerde moslims bij terugkeer naar Iran hun nieuwe geloof op dezelfde wijze kunnen belijden als de overige niet-moslims in Iran, (...)" (TK 2000-2001, 19637, nr. 546).
De president acht in het onderhavige geval van belang dat, alvorens op verzoekers bezwaar of over de kansrijkheid daarvan wordt beslist, duidelijkheid bestaat ten aanzien van de vraag of verweerder naar aanleiding van vorengenoemde
in de Tweede Kamer aangenomen motie zijn beleid jegens Iraanse bekeerlingen die hier te lande hebben verzocht om toelating als vluchteling op enigerlei wijze wijzigt.
Ter zitting kon de gemachtigde van verweerder desgevraagd echter geen toelichting geven op een (eventuele) nadere standpuntbepaling van verweerder terzake.
In het licht van het bovenstaande leent de onderhavige zaak zich niet voor afdoening in de AC-procedure. De president ziet derhalve aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen.
De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs
heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,-
(1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de
rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.
3. BESLISSING
De president:
RECHT DOENDE:
1. wijst het verzoek toe;
2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden;
3. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt.
afschrift verzonden op: