Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0064

Datum uitspraak2001-01-18
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers98/8643 AW
Statusgepubliceerd


Uitspraak

98/8643 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [A.], wonende te [B.], appellante, en de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 11 november 1998, nr. 98/110 AW K1, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 7 december 2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.L.H.E. van de Watering, verbonden aan het Verbond van Onafhankelijke Vakorganisaties. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij de Belastingdienst. II. MOTIVERING Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Aan appellante, die als groepsfunctionaris C werkzaam is bij de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen te [X.], is bij besluit van 17 maart 1992 toestemming verleend om naast haar dienstbetrekking diverse werkzaamheden te verrichten in het schoonmaakbedrijf van haar echtgenoot. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat de Belastingdienst daarvan geen enkel nadeel ondervindt en dat zij gedaagde op de hoogte stelt als de omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden verricht wijzigen. Bij brief van 21 januari 1997 heeft appellante gemeld dat de rechtsvorm van het bedrijf met ingang van 1 januari 1997 is veranderd van een eenmanszaak in een man-vrouw-firma, maar dat haar werkzaamheden hetzelfde zullen blijven als waarvoor toestemming is verleend. Gedaagde heeft deze brief opgevat als een verzoek om toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden in de rechtsvorm van een man-vrouw-firma (vennootschap onder firma) en dit verzoek na een gesprek met appellante afgewezen. Gedaagde heeft daarbij onder verwijzing naar artikel 61 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), in verbinding met artikel 10.3.2.2. van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB), in hoofdzaak overwogen dat door de gelijktijdige vervulling van het ondernemerschap en het ambtenaarschap de suggestie van belangenverstrengeling wordt gewekt, dat afbreuk kan worden gedaan aan het beeld van de Belastingdienst als objectieve en integere organisatie en dat een volwaardig ondernemerschap met alle daarbij behorende risico’s van belangenverstrengeling in het RPVB uitdrukkelijk is verboden. Gedaagde heeft er voorts nog op gewezen dat appellante toegang heeft tot de vertrouwelijke fiscale gegevens van alle ondernemers binnen de competentie van de eenheid, dat zij kennis draagt van de interne organisatie en het fiscale beleid van de Belastingdienst en dat haar inzetbaarheid voor de Belastingdienst bij verlening van de gevraagde toestemming zou worden beperkt. Na bezwaar van appellante heeft gedaagde dit besluit bij het thans in geding zijnde besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft in hoger beroep betwist dat de combinatie van deelnemer in een man-vrouw-firma en medewerker bij de Belastingdienst sneller dan voorheen zou leiden tot belangenverstrengeling. Dat is volgens appellante slechts een veronderstelling. Zij meent dat de aard van de werkzaamheden doorslaggevend dient te zijn en niet de rechtsvorm waaronder die nevenwerkzaamheden worden verricht. Wat betreft de toegang tot fiscale gegevens is er geen verschil met de situatie dat zij in het eenmansbedrijf van haar man werkte, aldus appellante. Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende. De Raad merkt vooraf op dat gedaagde terecht de brief van appellante van 21 januari 1997 heeft aangemerkt als een opnieuw te toetsen verzoek om toestemming, aangezien het verrichten van nevenwerkzaamheden als medeverantwoordelijk en medeaansprakelijk vennoot een wezenlijk andere situatie betreft dan het verrichten van nevenwerkzaamheden in het bedrijf van een ander. De in artikel 61 van het ARAR neergelegde norm dat de ambtenaar verplicht is zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van nevenwerkzaamheden, maar dat het in elk geval verboden is een nevenbetrekking te aanvaarden of nevenwerkzaamheden te verrichten of nering en handel te drijven indien dit schadelijk kan zijn voor de dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van het ambt, heeft gedaagde uitgewerkt in paragraaf 10.3 van het RPVB. Daarin is onder meer bepaald dat ieder verzoek op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld en zijn de algemene criteria neergelegd waaraan een verzoek moet worden getoetst. Vervolgens heeft gedaagde in het kader van de toepassing van de algemene criteria een opsomming gegeven van nevenwerkzaamheden die in ieder geval verboden zijn. In die opsomming is onder punt d vermeld 'het drijven van een nering of handel indien hiermee wordt beoogd winst te behalen, tenzij - onverlet de algemene voorwaarden met betrekking tot de afwezigheid van mogelijke schade voor de dienst en voor het aanzien van het ambt - sprake is van een nering of handel van zeer geringe omvang in tijd en/of investering. De Raad ziet geen gronden voor het oordeel dat gedaagde met dit beleid is getreden buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, nu aan de integriteit en onafhankelijkheid van de Belastingdienst terecht hoge eisen worden gesteld en het beleid, in lijn met de alom toegenomen kritische aandacht voor de integriteit van de openbare dienst, beoogt de kans op belangenverstrengeling zoveel mogelijk te beperken. De Raad stelt vast dat het verzoek van appellante, gezien de omvang van de onderneming die zij mede wenst te exploiteren, bij toetsing aan dat beleid niet kan worden gehonoreerd. Het gegeven dat appellante haar integriteit voldoende heeft bewezen en dat zij de - in hoofdzaak administratieve - werkzaamheden die zij als vennoot zou willen verrichten eerder (zonder problemen voor de dienst) heeft verricht in het bedrijf van haar echtgenoot, acht de Raad mede gelet op de fraudegevoeligheid van de branche waarin het betreffende bedrijf opereert, geen omstandigheden die gedaagde bij afweging van belangen er toe hadden moeten brengen om van zijn beleid af te wijken. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist is als hierna vermeld. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. W. van den Brink als voorzitter en mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2001. (get.) W. van den Brink. (get.) M.C.M. Hamer. HD 21.12