Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0063

Datum uitspraak2000-03-03
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/10552 MAWKLA
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage Sector Bestuursrecht Tweede kamer, enkelvoudig UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Reg.nr.: AWB 99/10552 MAWKLA Inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, tegen De Commandant Garnizoen Ede, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit. Het besluit van verweerder van 8 oktober 1999, kenmerk JURA/99/37805. 2. Zitting. Datum: 23 februari 2000. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde mr. M.P.W. Steuten. Verweerder is heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr.drs. A.A.W.K. Appels. 3. Feiten. Verweerder heeft aan eiser, [rang] bij het dienstvak [dienstvak], bij schrijven van 5 januari 1999 het volgende medegedeeld: "1. Naar aanleiding van een escalatie in de werkomstandigheden tussen personeel van de [eenheid] is door waarnemend manager en assistent manager MPV een aantekening opgemaakt en mij aangeboden. Uit deze rapportage komt een zeer verontrustend beeld naar boven omtrent het functioneren van de [eenheid] in zijn algemeenheid, t.w.: a. de ernstig verstoorde onderlinge werkverhoudingen in de [eenheid]; b. het ontbreken van feitelijk leiderschap bij u en hoofd [eenheid], en het als gevolg hiervan ontbreken van discipline en gezag ten opzichte van de leiding bij de [ondergeschikten]. 2. Samenvattend concludeer ik dat u onvoldoende leiding hebt gegeven aan genoemde [eenheid] en mede verantwoordelijk bent voor het gebrek aan discipline en gezag binnen de [eenheid] ten opzichte van de leiding. 3. Om u in de gelegenheid te stellen u als leidinggevende te kwalificeren heb ik het huidige hoofd [eenheid], aoo [hoofd], opdracht gegeven uw functioneren kritisch te volgen en mij periodiek ter zake te rapporteren. Indien er geen verbetering in uw functioneren merkbaar is zal ik mij nader omtrent uw positie binnen mijn Garnizoen beraden." Bij brief van 24 februari 1999 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft het hoofd van het Bureau Bezwaarschriften namens verweerder met toepassing van artikel 7:3 van de Awb het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser bij schrijven van 19 november 1999, aangevuld bij schrijven van 23 december 1999, een beroepschrift ingediend. Verweerder heeft de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. 4. Bewijsmiddelen. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting. 5. Motivering. In geschil is of verweerder terecht het bezwaar van eiser tegen het schrijven van 5 januari 1999 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft allereerst zijn twijfel geuit over de bevoegdheid van het hoofd Bureau Bezwaarschriften om namens de Commandant Garnizoen Ede op het bezwaar te beslissen. Gelet op het als bijlage bij productie 3 overgelegde schrijven d.d. 8 maart 1999 van de Commandant Garnizoen Ede, waarbij hij het hoofd van de Sectie Juridische Aangelegenheden en/of het hoofd van het Bureau Bezwaarschriften van voornoemde sectie onder meer machtigt om namens hem bezwaarschriften af te doen, staat genoegzaam vast dat het bestreden besluit bevoegdelijk is genomen. Met betrekking tot het geschil omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiser overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt met een besluit gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgende belanghebbende zijn. Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Awb verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. Ingevolge artikel 7:1 van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken. Dit geldt ingevolge artikel 6:1, eerste lid, van de Awb ook ten aanzien van met een besluit gelijkgestelde andere handelingen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de brief van 5 januari 1999 ertoe zal kunnen leiden dat in de toekomst ten aanzien van hem eerder nadelige rechtspositionele besluiten kunnen worden genomen. Met name, zo stelt eiser, kan de brief, die is aan te merken als een waarschuwing in de zin van artikel 8, derde lid, van de Beleidsregel beoordelingen militairen Koninklijke landmacht (hierna: BBMKL), een prelude zijn voor een mindere beoordeling. Eiser voert aan dat hij er alle belang bij heeft dat hij hetgeen verwoord is in de kennisgeving van 5 januari 1999 kan weerspreken, zodat hij in zijn bezwaren ontvankelijk had dienen te worden verklaard. Eiser zoekt voor deze opvatting steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 mei 1995, AB 1995/571. Verweerder stelt dat de brief van 5 januari 1999 geen enkel gevolg heeft voor de rechtspositie van eiser. In de visie van verweerder heeft de enkele aankondiging dat bij het uitblijven van verbetering nader beraad zal volgen geen enkel gevolg voor de rechtspositie van eiser. Het bericht wordt ook niet als zodanig opgenomen in het persoonsdossier van eiser en is voorts geen mededeling van de eerste beoordelaar in de zin van artikel 8, derde lid, van de BBMKL. Er is dan ook geen sprake van dat de brief een essentieel en onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van een toegepast sanctiebeleid, waarbij de waarschuwing een overtreding veronderstelt, zoals in de door eiser aangehaalde uitspraak het geval is. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 5 januari 1999 aan eiser niet behelst een besluit of een andere handeling waardoor eiser rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Een reactie als de onderhavige op een incident dat zich kennelijk op 3 september 1998 tussen leden van de [eenheid] heeft voorgedaan moet naar het oordeel van rechtbank worden gerekend tot de normale in een organisatorisch verband soms benodigde sturingsmiddelen waarvan de leiding zich ten opzichte van de onder die leiding gestelden kan bedienen. Van enig ingrijpen in eisers rechtspositie is met die reactie geen sprake en is daarmee - zo is in het verweerschrift uitdrukkelijk gesteld- ook niet beoogd. Dit geldt temeer nu verweerder zich expliciet op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 5 januari 1999 geen mededeling van de eerste beoordelaar in de zin van artikel 8, derde lid, van de BBMKL behelst en de brief als zodanig ook niet in het personeelsdossier van eiser wordt opgenomen, nog daargelaten de vraag of een mededeling in de zin van artikel 8, derde lid, van de BBMKL voor beroep vatbaar is. Tot slot is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de brief van 5 januari 1999 niet betreft een essentieel en onlosmakelijk onderdeel van een toegepast sanctiebeleid, waarbij de waarschuwing een overtreding veronderstelt, zodat de door eiser aangehaalde uitspraak niet leidt tot de conclusie dat er hier sprake is van een besluit of andere handeling waardoor eiser rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken. 6. Beslissing. De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: Verklaart het beroep ongegrond. 7. Rechtsmiddel. Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. J.W.H.B. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2000, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Leijten als griffier. Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, Verzonden: Coll. :