
Jurisprudentie
AB0061
Datum uitspraak2001-02-16
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers60961
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers60961
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Zaaknummer 60961 / FA RK 00-1387
Beschikking van de Rechtbank te Maastricht van 16 februari 2001 gegeven in de zaak van:
F. H, wonende te G, appellant,
Procureur mr. G.A.J.M. Niederer,
tegen
De Gemeente G,
zetelende te G, geïntimeerde,
gemachtigde de heer P,
op het beroep, ingeleid bij het op 25 oktober 2000 per fax en op 26 oktober 2000 per brief ter griffie van deze Rechtbank ingediende beroepschrift, tegen de door de kantonrechter te Sittard tussen de Gemeente als verzoekster en appellant, verder aan te duiden als H, als verweerder gegeven beschikking van 25 augustus 2000 met rep.nr. 00-87 en zaaknr. 68752.
1. De eerste aanleg:
De Rechtbank verwijst voor het verloop van de zaak in eerste aanleg naar de inhoud van de beschikking, waartegen H in beroep is gegaan en die in copie aan deze beschikking is gehecht.
2. De procedure in hoger beroep:
In zijn beroepschrift tegen genoemde door de kantonrechter gegeven beschikking van 25 augustus 2000 heeft H onder aanvoering van twee grieven verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de gemeente in haar verzoek strekkende tot verhaal van de hem verleende bijstand voor bedragen van fl. 157,38 respectievelijk fl. 2.737,17, niet ontvankelijk is, althans het verzoek van de gemeente alsnog af te wijzen, kosten rechtens.
Ter terechtzitting van 12 januari 2000 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. His op deze terechtzitting in persoon verschenen. Hij werd bijgestaan door mr. Niederer, voornoemd.
De heer P is als gemachtigde voor de gemeente verschenen en heeft namens de gemeente mondeling verweer tegen het ingestelde beroep gevoerd en
- kort gezegd- verzocht het beroepschrift ongegrond te verklaren en de beschikking te bekrachtigen.
3. De beoordeling
H heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.
Met de inwerkingtreding per 1 januari 1996 van de Abw is artikel 66 ABW(oud) vervallen (Stbl. 1995,200). In dit artikel was bepaald dat van alle beschikkingen van de kantonrechter, tenzij deze betreffen verhaal van reeds gemaakte kosten van niet meer dan fl. 2.500,--, beroep openstaat bij de arrondissementsrechtbank binnen vier weken - kort gezegd - na de dag van verzending van de beschikking.
Voor dit artikel is er geen alternatieve bepaling in de sindsdien geldende Abw opgenomen. Ook bij de verdere aanpassing van de Abw, onder meer per 1 juli 1997 (bij gelegenheid van de inwerkingtreding van de Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, - wet van 25 april 1996 Stbl. 1996, 248 -hierna: de Wet Boeten), is niets omtrent een appelgrens in deze wet opgenomen.
Met ingang van 1 januari 1999 (Stbl.1998,605) is in artikel 38 RO de appellabiliteitsgrens in zaken die ter afhandeling aan de kantonrechter zijn toegewezen van fl. 2.500,-- naar fl. 3.500,-- opgetrokken.
Het belang van deze zaak betreft in totaal de somma van fl. 2.894,55.
Bij de per 1 januari 1996 in werking getreden Abw is ook voor de in artikel 66 ABW(oud) vastgestelde appeltermijn geen specifieke bepaling opgenomen, maar is daarvoor in artikel 88 lid 1 en 2 Abw wel bepaald dat op het bij de kantonrechter in te dienen verzoekschrift tot nakoming van een besluit tot terugvordering van kosten van bijstand het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing is.
Bij de genoemde aanpassing als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet Boeten op 1 juli 1997 is artikel 88 Abw weer vervallen en heeft de Hoge Raad, ter opvulling van het daardoor ontstane vacuüm betreffende de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen beslissingen van de kantonrechter in het kader van terugvordering van kosten van bijstand, in zijn uitspraak van 20 februari 1998, NJ 1999,561 bepaald - kort gezegd - ‘ nu de twaalfde titel van het eerste boek van Rv niet in werking is getreden voor verzoekschriftprocedures tot terugvordering van kosten van bijstand als bedoeld in voormeld op 1 juli 1997 vervallen artikel 88 Abw en de Abw geen regeling van de appeltermijn voor deze procedures bevatte, moet artikel 429n Rv met betrekking tot deze procedures van overeenkomstige toepassing worden geacht’.
De Wetgever heeft bij het bepalen van de grens voor het instellen van hoger beroep in het tot 1 januari 1996 geldende artikel 66 ABW(oud) kennelijk aansluiting gezocht bij de grens die door hem al was bepaald in het daartoe algemeen geldende artikel 38 RO. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert dit dat in het onderhavige geval artikel 38 RO moet worden toegepast, als sporende met de lijn die de Hoge Raad in zojuist genoemde uitspraak van 20 februari 1998 heeft uitgezet voor dit soort situaties die zich in de praktijk in de uitvoering van de Abw kunnen voordoen.
Nu de gemeente haar inleidend verzoek op 17 januari 2000 bij de kantonrechter aanhangig heeft gemaakt en dit tijdstip valt nadat per 1 januari 1999 de appelgrens in artikel 38 RO was opgetrokken naar fl. 3.500,--, leidt dit een en ander tot de conclusie dat H niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep tegen de door de kantonrechter gegeven beslissing en betekent dit voorts dat de rechtbank niet kan toekomen aan het beoordelen van de door H tegen de beslissing van de kantonrechter gerichte grieven.
De rechtbank merkt nog op dat zij hierbij voorbij gaat aan de visie van H, waarin deze stelt dat de rechtbank in de onderhavige zaak niet als civiele rechter optreedt, maar als bestuursrechter en derhalve geen sprake kan zijn van de toepasselijkheid van artikel 38 RO. De rechtbank volgt H niet in deze visie omdat de Wetgever voor terugvorderingsprocedures, waarvan het besluit tot terugvordering dateert van vóór 1 juli 1997 (in casu zijn de terugvorderingsbeschikkingen gedateerd op 14 juni 1996 respectievelijk 21 maart 1997) en de teveel of onverschuldigd uitbetaalde kosten van bijstand niet via een minnelijke regeling van de betrokkene worden terugontvangen, uitdrukkelijk heeft bepaald dat die ter afdoening aan de kantonrechter moeten worden voorgelegd ter verkrijging van een executoriale titel.
Op grond van hetgeen ter terechtzitting te berde is gebracht ten aanzien van reeds (via beslaglegging) door de gemeente ontvangen betalingen verstaat de rechtbank dat de gemeente deze reeds ontvangen bedragen in elk geval in mindering brengt op de bedragen vermeld in de beschikking van de kantonrechter van 25 augustus 2000.
Nu H niet kan worden ontvangen in zijn beroep dient hij in de kosten van deze procedure te worden verwezen. De Rechtbank begroot deze kosten, gerezen aan de zijde van de gemeente op nihil, nu de gemeente zich niet heeft doen bijstaan door een procureur en zij voorts geen griffierecht is verschuldigd.
4. Beslissing
De Rechtbank:
Verklaart H niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de door de kantonrechter te Sittard op 25 augustus 2000 gegeven beschikking met rep.nr. 00-87, zaaknr. 68752.
Veroordeelt H in de kosten van deze procedure en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente gerezen op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Casparie,rechter en voorzitter, F.A.J.W. Eliëns, vice-president en W.L.J. Voogt, rechter en is op 16 februari 2001 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
LD/