
Jurisprudentie
AB0060
Datum uitspraak2000-12-19
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/4382
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/4382
Statusgepubliceerd
Indicatie
Sudan / lidmaatschap Umma-partij.
Eisers zijn afkomstig uit Noord-Sudan. Eiser is sinds 1986 lid van de Umma-partij en heeft diverse werkzaamheden voor deze partij verricht. Bovendien heeft hij zich diverse malen kritisch uitgelaten over het Sudanese onderwijsbestel.
De rechtbank acht het asielrelaas van eisers voldoende consistent en geloofwaardig. Eiser heeft uitgebreide, gedetailleerde en consistente verklaringen afgelegd. Eiser heeft bovendien ter ondersteuning van zijn relaas diverse kopieën van documenten overgelegd.
Het relaas duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat eisers in de negatieve belangstelling van de autoriteiten in Sudan zijn komen te staan. De rechtbank wijst daartoe ook op hetgeen inzake politieke tegenstanders in het ambtsbericht d.d. 23 december 1999 wordt vermeld en op werkinstructie 147 inzake Sudan, die gold ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking.
Beroep gegrond.
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
Zitting houdende te Arnhem
Vreemdelingenkamer
Registratienummer: 99/4382
Datum uitspraak 19 december 2000
Uitspraak
ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in samenhang met artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)
in de zaak van
A
en
B,
eisers,
gemachtigde mr. J.C.M. van den Boom,
tegen
DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE
(Immigratie en Naturalisatiedienst),
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. S.A. Ganpat,
ambtenaar bij de IND.
Het procesverloop
Op 7 april 1998 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikkingen van 27 oktober 1998 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Wel is aan eisers een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 7 april 1998, geldig tot 7 april 1999.
Eisers hebben daartegen bij bezwaarschrift van 20 november 1998 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 7 mei 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de verleende vvtv’s ingetrokken. Daarbij is eisers medegedeeld dat
zij de behandeling van een eventueel in te dienen beroep of bezwaar niet in Nederland mogen afwachten.
Bij beroepschrift van 2 juni 1999 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beschikkingen van 7 mei 1999. Tevens hebben eisers op die datum een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar en beroep
ingediend.
Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 november 2000. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
De beoordeling
1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de beschikkingen van 7 mei 1999 in rechte stand kunnen houden.
2. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te
vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.
3. Het vluchtrelaas van eiser komt op het volgende neer. Eiseres baseert haar relaas op het relaas van eiser.
Eisers zijn afkomstig uit Noord-Sudan. Eiser is sinds 1986 lid van de Umma- partij. Eiser verspreidde pamfletten en een krant voor deze partij. Na zijn studie en bezigheden als sociaal cultureel secretaris van de Umma-partij in
India is eiser in december 1993 teruggekeerd naar Sudan, alwaar direct op het vliegveld zijn bagage en paspoort in beslag werden genomen door de veiligheidsdienst. De volgende dag is hij verhoord omtrent zijn activiteiten voor de
Umma-partij en heeft hij een verklaring moeten schrijven waarin stond dat hij geen contact meer zou hebben met de oppositie. Eiser heeft zijn paspoort niet teruggekregen.
Op 15 september 1995 is eiser gearresteerd door de veiligheidsdienst na een protest van leraren en leerlingen. Eiser werd beschuldigd van het aanzetten tot verzet tegen de autoriteiten. Eiser werd verhoord en gemarteld. Op 4
december 1995 werd eiser in vrijheid gesteld nadat hij opnieuw een verklaring had ondertekend.
Vervolgens is eiser van 13 tot 27 november 1997 met een groep leraren in Syrië gaan praten over de onderwijsvoorzieningen. Eiser heeft aldaar kritiek uitgeoefend op het Sudanese onderwijs. Op de avond van zijn terugkeer is eiser
thuis gearresteerd door de veiligheidsdienst. Eiser werd opnieuw verhoord over zijn uitlatingen en gemarteld. Zijn lichaam werd met koud water nat gemaakt en er werden sigarettenpeuken op zijn lichaam uitgemaakt. Ook werd er met een
zweep op zijn rug geslagen. Eiseres is in die periode diverse malen bezocht door de veiligheidsdienst en heeft uiteindelijk een miskraam gekregen vanwege de spanningen omtrent de detentie van haar echtgenoot.
Eiser is uiteindelijk op 13 maart 1998 ontsnapt met behulp van de Umma-partij. Deze partij heeft ook zijn uitreis samen met zijn vrouw op 22 maart 1998 geregeld. In mei 2000 heeft eiser zijn lidmaatschap van de Umma-partij
beëindigd.
4. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij persoonlijk in een negatief daglicht staan bij de Sudanese autoriteiten. Verweerder overweegt daartoe dat eiser niet aannemelijk
heeft gemaakt dat de Sudanese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn politieke activiteiten in India, noch van latere activiteiten. Eiser heeft zijn lidmaatschap van de Umma-partij bovendien niet onderbouwd, noch anderszins
aannemelijk gemaakt. Over zijn gestelde activiteiten heeft eiser summiere verklaringen afgelegd. Bovendien waren deze activiteiten slechts van marginale en ondersteunende aard.
Voorts wekt het bevreemding dat eiser op 30 oktober 1997 in het bezit is gesteld van een Sudanees paspoort, temeer nu uit het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 30 januari 1997 blijkt dat de aanvrager van een
paspoort dient te beschikken over een verklaring van goed gedrag. Vervolgens is niet aannemelijk dat aan eiser een uitreisvisum is verstrekt, nu een uitreisvisum door de veiligheidsdienst wordt uitgereikt en deze de papieren van
eiser in 1993 hebben afgenomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat eiser geen ernstige problemen van de zijde van de autoriteiten te duchten heeft. De omstandigheid dat de bond van leraren het paspoort zou hebben aangevraagd en
opgehaald doet hier niet aan af.
Mitsdien is evenmin aannemelijk dat eiser op 26 november 1997 is gearresteerd. Eiser heeft vage en summiere verklaringen afgelegd over zijn verblijf in Syrië. Niet is gebleken dat de autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de
kritiek die eiser zou hebben uitgeoefend op het onderwijsbestel van Sudan. Eiser is bovendien bij zijn terugkeer in Sudan door de autoriteiten gecontroleerd en hij werd daarbij niet aangehouden. Tevens valt niet in te zien dat de
Sudanese autoriteiten een politiek tegenstander zouden uitzenden om te praten over de onderwijsvoorzieningen in beide landen.
De verklaringen van eiser omtrent zijn ontsnapping uit het gebouw van de veiligheidsdienst in Khartoum zijn niet geloofwaardig.
De kopieën van documenten uit Sudan maken bovenstaand oordeel niet anders. Mitsdien is het geenszins aannemelijk dat eiser gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in Sudan.
Ten aanzien van de gestelde mishandelingen wordt overwogen dat eiser zijn detentie niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien heeft eiser geen terzake doende stukken weten over te leggen. Eiser heeft geen concrete redenen aangevoerd
om een geslaagd beroep te doen op artikel 3 EVRM.
5. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij gegronde redenen hebben om te vrezen voor vervolging. Zij baseren dit oordeel met name op het gegeven dat eiser zich heeft gemanifesteerd als politiek tegenstander van het bewind
en als zodanig bekend is geraakt bij de autoriteiten. Eiser is bereid om nadere informatie te verstrekken over zijn activiteiten. Al zijn arrestaties hebben te maken met deze activiteiten. Eiser heeft het origineel van zijn paspoort
beschikbaar. Er staat geen handtekening van eiser in, maar een stempel, nu hij dit paspoort niet zelf heeft afgehaald en getekend.
Eiser merkt op dat de bond van leraren een neutrale organisatie is, dat het een speciale reis naar Syrië betrof en dat er geen visumplicht geldt voor Syrië. De autoriteiten hebben bij zijn arrestatie van 26 november 1997 er
kennelijk voor gekozen om er geen publieke arrestatie van te maken.
Eisers ontsnapping heeft plaatsgevonden tijdens een gebedsmoment en is ten onrechte als ongeloofwaardig gekwalificeerd.
Eiser verwijst naar zijn detentie en mishandelingen voor wat betreft het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard. Eisers menen dat ten onrechte geen nader medisch onderzoek bij de medisch adviseur is ingesteld. Eiseres
heeft een slechte psychische gezondheid en eiser heeft littekens overgehouden naar aanleiding van zijn mishandelingen. Eisers zijn op dit moment onder behandeling.
Tevens staat eiser in de bijzondere aandacht van de autoriteiten, zodat hij bij terugkeer naar Sudan gevaar loopt in de zin van artikel 3 EVRM.
6. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Sudan zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk
moeten zijn, dat met betrekking tot eisers persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.
7. Ten aanzien van eisers aanvragen om toelating als vluchteling overweegt de rechtbank als volgt.
8. De rechtbank acht, anders dan verweerder, het asielrelaas van eisers voldoende consistent en geloofwaardig. Het relaas duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat eisers, vanwege het lidmaatschap van eiser van de
Umma-partij, de door hem verrichte activiteiten voor deze partij en de door hem uitgeoefende kritiek op het onderwijsbestel in Sudan, in de negatieve belangstelling van de autoriteiten in Sudan zijn komen te staan. De rechtbank
overweegt daartoe als volgt.
9. Eiser heeft uitgebreide, gedetailleerde en consistente verklaringen afgelegd over zijn lidmaatschap van de verboden oppositionele Umma-partij sinds 1986. Dat eiser reeds vanaf 1993 in de specifieke negatieve belangstelling
stond vanwege zijn activiteiten voor deze partij in India, acht de rechtbank niet onaannemelijk. De moeilijkheden die hij na terugkomst in Sudan kreeg met betrekking tot het vinden van een baan en het vervullen van zijn dienstplicht
laten zich hierdoor verklaren. Eiser is in 1995 ruim 2 maanden langer in dienst geweest dan gebruikelijk, hetgeen blijkt aan de hand van de door hem overgelegde kaart van de nationale militaire dienstplicht. Dit ondersteunt eisers
verklaring dat hij in 1995 gedurende ruim 2 maanden gedetineerd was.
Voorts deelt de rechtbank niet verweerders standpunt dat het, indien eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten zou hebben gestaan, volstrekt onaannemelijk is dat eiser in 1997 voor een werkbezoek naar Syrië is uitgezonden
en daartoe in het bezit is gesteld van een paspoort. Eisers verklaring dat hij dit werkbezoek heeft kunnen afleggen met de Sudanese Bond van Leraren, die voor een paspoort voor de leden van de groep heeft gezorgd, is niet
onaannemelijk, te meer daar eiser het paspoort kennelijk niet zelf heeft afgehaald en van zijn handtekening voorzien en er groepsgewijs leges zijn betaald.
Evenmin deelt de rechtbank verweerders standpunt dat het onaannemelijk is dat eiser kritiek heeft geuit op het Sudanese onderwijssysteem en dat de autoriteiten, daarvan op de hoogte geraakt, hem na terugkomst in Sudan thuis hebben
gearresteerd. Eiser heeft zeer gedetailleerd en consistent verklaard over de door hem in Syrië geuite kritiek. Dat hij ’s avonds thuis is gearresteerd en niet publiekelijk bij terugkomst van de gehele delegatie op het vliegveld,
moet zeker niet onaannemelijk worden geacht.
10. Mede op grond van het bovenstaande acht de rechtbank geloofwaardig dat eiser zich meerdere malen - op 15 september 1995 en in november 1997 in Syrie – kritisch heeft uitgelaten over het onderwijsbeleid in Sudan en hij in
verband hiermee is gearresteerd door de veiligheidsdienst, verhoord, in detentie gehouden en tijdens zijn detentie meerdere malen gemarteld. De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande eens te meer blijkt dat de
autoriteiten hun aandacht hebben gericht op eisers vanwege de uiterst kritische politieke houding van eiser. Eiser heeft bovendien ter ondersteuning van zijn relaas diverse kopieën van documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij is
gearresteerd in november 1997, zijn salaris en ziektekostenverzekering toen zijn stopgezet en zijn rekeningen zijn bevroren naar aanleiding van de door hem geleverde kritiek in Syrië op het staatsbestel van Sudan.
Eiser is op 13 maart 1998 uiteindelijk met behulp van de Umma-partij ontsnapt, waardoor het de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt dat de autoriteiten mede daarom naar eiser op zoek zijn en hem wellicht bij terugkeer naar zijn
land van herkomst opnieuw zullen arresteren.
11. De rechtbank wijst voorts op hetgeen in het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken d.d. 23 december 1999 wordt vermeld. Hieruit blijkt dat personen, die door de Sudanese regering als politiek tegenstander
worden gezien en met vervolgingsmaatregelen door de veiligheidsdienst te maken krijgen, zich hieraan over het algemeen niet kunnen onttrekken door zich elders in Sudan te vestigen.
Tevens wijst de rechtbank op werkinstructie 147 inzake Sudan, die gold ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking, waarin wordt gesteld dat Sudanezen die op enigerlei wijze oppositie hebben gevoerd tegen het huidige
regime, waarbij deze activiteiten bekend zijn (of zeer waarschijnlijk kunnen geraken) bij de autoriteiten en die dientengevolge bij terugkeer gegronde vrees voor vervolging hebben, in aanmerking kunnen komen voor toelating als
vluchteling. Te denken valt hierbij – volgens werkinstructie 186a en 237– onder meer aan intellectuelen, studentenleiders, actieve sympathisanten van de voormalige politieke partijen, verzetsbewegingen en andere verboden
organisaties.
De rechtbank is van oordeel dat eiser is te kwalificeren als politiek tegenstander, die actief oppositie heeft gevoerd tegen het huidige regime.
12. Op grond van hetgeen eiser bij zijn nader gehoor heeft verklaard in combinatie met hetgeen eiseres bij haar nader gehoor heeft gesteld, de door eiser schriftelijk afgelegde verklaringen, de overgelegde documenten en hetgeen
gezien het bovenstaande omtrent de algehele situatie in Sudan bij de rechtbank ambtshalve bekend is, is het naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk dat eisers vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag. De
bestreden beschikking is derhalve in strijd met het motiveringsbeginsel tot stand gekomen, zodat deze op grond van schending van artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.
13. Het beroep is derhalve gegrond, voorzover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard.
14. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten
bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ƒ 1.420,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
15. Tevens zal de rechtbank de Staat aanwijzen als rechtspersoon die eisers het door hen betaalde griffierecht dient te vergoeden.
De Beslissing
de rechtbank verklaart het beroep, voorzover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, gegrond;
vernietigt de bestreden beschikkingen in zoverre en draagt verweerder op nieuwe beschikkingen te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- aan eisers te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Lely - van Goch en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2000 in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst als griffier.
de griffier de rechter
Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 33e van de Vreemdelingenwet geen hoger beroep open.
Afschrift verzonden: 20 december 2000