
Jurisprudentie
AB0059
Datum uitspraak2000-04-12
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/10097 MAWKMA
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/10097 MAWKMA
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
Sector Bestuursrecht
Tweede kamer, enkelvoudig
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Reg.nr.: AWB 99/10097 MAWKMA
Inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit.
Het besluit van verweerder van 22 september 1999, kenmerk P.1999004637.
2. Zitting.
Datum: 22 maart 2000.
Eiser is in persoon ter zitting verschenen.
Verweerder geeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
mr. W.E. Louwerse.
3. Feiten.
Eiser, van 21 maart 1983 tot 1 april 1999 in dienst bij de Koninklijke Marine, laatstelijk als [rang] van de [onderdeel], heeft op 4 juni 1998 gesolliciteerd naar een opleidingsplaats bij de Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) regio noord west. Bij brief van 18 augustus 1998 werd hem medegedeeld dat de keuze op hem was gevallen en dat hem binnenkort een beschikking zal worden toegezonden waarbij hij zal worden aangewezen voor het volgen van de HBO-opleiding maatschappelijk werk en dienstverlening en waarin tevens de uit die aanwijzing voortvloeiende rechten en verplichtingen zullen worden aangegeven.
Bij beschikking van 2 december 1998, welke eiser stelt te hebben ontvangen in januari 1999, is eiser vervolgens aangewezen voor het volgen van de HBO-opleiding […] ingaande 5 oktober 1998, onder gedeeltelijke vrijstelling van alle andere werkzaamheden en diensten bij de zeemacht, die niet voortvloeien uit het volgen van die opleiding. Tevens zijn in die beschikking de voorwaarden, die zijn verbonden aan de aanwijzing, opgenomen. Artikel 8 van die voorwaarden luidt:
"1. Aan de aanwijzing is de verplichting verbonden zoals omschreven in artikel 12, eerste lid, van de BROZ (Beleidsregels opleidingen militairen zeemacht) om deel uit te blijven maken van het beroepspersoneel der zeemacht gedurende de opleiding, alsmede gedurende een tijd van drie jaren.
2. Aan de aanwijzing is de terugbetalingsverplichting verbonden zoals omschreven in artikel 14, van het Algemeen militair ambtenaren-reglement."
Eiser heeft op 26 februari 1999 een verzoek om ontslag per 1 april 1999 ingediend. Dit verzoek werd bij besluit van 23 april 1999, verzonden op 17 mei 1999, toegestaan. Bij dat besluit werd eiser tevens de verplichting opgelegd de kosten van de door hem in diensttijd gevolgde HBO-opleiding […] ad f 3.665,30 terug te betalen, aangezien het eervol ontslag werd verleend binnen de periode waarvoor ten aanzien van eiser een dienverplichting gold. Het restitutiebedrag ad f 3.665,30 is samengesteld uit opleidingskosten ad f 2.169,95 en een loonkostencomponent ad f 1.495,35. Deze loonkostencomponent bestaat uit het bedrag van de totale loonkosten minus het minimumloon berekend over de 25 dagen waarop eiser was vrijgesteld van dienstverrichtingen ten behoeve van de opleiding.
Bij brief van 22 juni 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van
23 april 1999 voorzover hem daarbij een (volledige) restitutieplicht werd opgelegd.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit heeft eiser bij brief van 31 oktober 1999, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 2 november 1999, beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
4. Bewijsmiddelen.
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering.
De rechtbank dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden de aan eiser opgelegde terugbetalingsverplichting heeft gehandhaafd.
Niet in geschil is dat eiser in de periode waarin voor hem een dienverplichting gold als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), op zijn verzoek eervol is ontslagen en dat op hem daarom een restitutieplicht rust conform het bepaalde in artikel 14, derde en vierde lid, van het AMAR.
De leden 3 en 4 van artikel 14 AMAR luiden als volgt:
"3. De bevelhebber kan, overeenkomstig het vierde en vijfde lid van artikel 13, aan de aanwijzing op aanvraag voor het volgen van een bijscholingsopleiding, afhankelijk van de aard of de duur van de opleiding, de verplichting verbinden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van hetgeen voor rekening van het rijk aan of ten behoeve van de militair tijdens of in verband met de opleiding is betaald, indien de militair:
a. wordt ontheven van de opleiding;
b. voordat aan de in het tweede lid bedoelde verplichting is voldaan wordt ontheven van de functie waarvoor hij is opgeleid, dan wel uit de dienst wordt ontslagen.
4. Op de volgens het derde lid vastgestelde terugbetalingsverplichting wordt, gerelateerd aan het aantal maanden dat de opleiding is gevolgd, in mindering gebracht het minimumloon, vastgesteld naar analogie van hetgeen bij en krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantie-bijslag is bepaald."
Eisers beroep richt zich uitsluitend tegen de loonkostencomponent van de door hem te restitueren kosten van de opleiding. Eiser meent dat de besluitvorming ten aanzien van zijn verzoek tot het volgen van de opleiding zo traag is verlopen dat er sprake is van onzorgvuldig handelen door verweerder. Met name had, volgens eiser, verweerder de omvang van de restitutieverplichting in een veel eerder stadium moeten vaststellen en niet eerst bij de in januari 1999 door hem ontvangen beschikking van 2 december 1998. Deze onzorgvuldigheid had er volgens eiser toe moeten leiden dat verweerder de beleidsruimte, die artikel 14, derde lid, AMAR hem biedt, had moeten aanwenden om de loonkostencomponent niet in de restitutieverplichting te betrekken en slechts de directe opleidingskosten op eiser te verhalen.
Voorts beschouwt eiser het opleggen van een restitutieplicht om daarmee te verhinderen dat een persoon de dienst verlaat, als een daad van détournement de pouvoir.
Verweerder stelt dat de eiser opgelegde restitutieverplichting inclusief de loonkostencomponent overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van het AMAR is tot stand gekomen en dat verweerder geen bijzondere redenen heeft gezien om ten aanzien van eiser van het bepaalde in dat artikel af te wijken. Verweerder voert daarbij aan dat eiser onmiskenbaar bij het indienen van zijn verzoek om een studie te mogen volgen op de hoogte was van het feit dat hij restitutieplichtig zou zijn indien hij zijn dienverplichting niet zou nakomen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat terugvordering van de in het restitutiebedrag opgenomen loonkostencomponent en de vaststelling van de omvang daarvan geheel in overeenstemming met het bepaalde in het hiervoor aangehaalde derde en vierde lid van artikel 14 AMAR is geschied. Het beleid van verweerder om in beginsel ook de loonkostencomponent in de restitutieverplichting te betrekken, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, acht de rechtbank niet onredelijk of onjuist. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat zodanige bijzondere omstandigheid niet is gelegen in het feit dat eiser eerst in januari 1999 de beschikking heeft ontvangen, waarbij hij formeel, ingaande 5 oktober 1998, werd aangewezen voor het volgen van de HBO-opleiding […]. Weliswaar heeft verweerder geen redenen aangevoerd waarom de aanwijzing van eiser voor het volgen van de opleiding per 5 oktober 1998 eerst bij beschikking van 2 december 1998 is geformaliseerd, doch vastgesteld moet worden dat eiser door dit tijdsverloop geen nadeel heeft ondervonden. Hij was immers reeds bij brief van 18 augustus 1998 op de hoogte gesteld van zijn aanwijzing voor het volgen van de opleiding en hij was bekend met het feit dat aan de aanwijzing een dienverplichting en -bij voortijdig ontslag- een restitutieplicht verbonden was. Voor zover er bij eiser onduidelijkheden zouden hebben bestaat over de exacte omvang van deze restitutieverplichting had het op eisers weg gelegen daarnaar te informeren. Voorts is niet gebleken dat eiser heeft aangedrongen op eerdere afgifte van de aanwijzingsbeschikking en heeft hij, toen hij deze aanwijzingsbeschikking van 2 december 1998 met daarin de dienverplichting en de restitutieplicht eenmaal had ontvangen, daartegen geen rechtsmiddel aangewend, zodat deze beschikking in rechte vaststaat.
Tot slot overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit uitvoerig en op geheel juiste gronden heeft overwogen dat het opleggen van een restitutieplicht aan een militair, in geval hij de dienst verlaat in de periode dat op hem een dienverplichting rust, niet kan worden aangemerkt als een vorm van détournement de pouvoir.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
6. Beslissing.
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
Verklaart het beroep ongegrond.
7. Rechtsmiddel.
Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. J.W.H.B. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2000, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Leijten als griffier.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden:
Coll. :