Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0053

Datum uitspraak2000-03-13
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/09826 MPWKLA
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage Sector Bestuursrecht Tweede kamer Enkelvoudig UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr.: AWB 99/09826 MPWKLA Inzake [eiser], wonende te [woonplaats], Australië, eiser, tegen de Staatssecretaris van Defensie te 's-Gravenhage, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit. Het besluit van verweerder van 8 oktober 1999, kenmerk USZO/Def/SJZ 1998/0418 2. Zitting. Datum: 9 maart 2000 Verweerder is verschenen bij gemachtigde P.J.H. Souren. Voor eiser is verschenen zijn raadsman mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Nijkerk. 3. Feiten. Eiser, gewezen [rang] oorlogsvrijwilliger van de Koninklijke Landmacht, is met ingang van 10 januari 1951 uit zijn verbintenis als oorlogsvrijwilliger ontheven en als zodanig uit de militaire dienst ontslagen. Bij verzoekschrift van 24 juli 1975 heeft eiser een verzoek ingediend om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Het besluit van 16 maart 1978, waarbij dit verzoek is afgewezen op grond van het ontbreken van een dienstverbandaandoening, heeft in rechte standgehouden. In een besluit van 28 juli 1981, waarbij een verzoek om herziening van het besluit van 16 maart 1978 is afgewezen, heeft eiser berust. Op 25 februari 1997 is wederom door eiser een verzoek gedaan om toekenning van een militair pensioen. Bij beschikking van 19 mei 1998, gewijzigd bij beschikking van 29 mei 1998, heeft verweerder aan eiser een militair pensioen toegekend op basis van een invaliditeit met dienstverband van 35% en met ingang van 25 februari 1997 Eiser heeft bij brief van 4 juni 1998, aangevuld bij brieven van 17 en 22 juni 1998 een bezwaarschrift ingediend, waarbij hij zowel bezwaar heeft gemaakt tegen de ingangsdatum van het pensioen, alsook tegen de vastgestelde mate van invaliditeit. Bij brief van 18 juni 1998 heeft de raadsman van eiser een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikkingen van 19 en 29 mei 1998. Bij aanvullend bezwaarschrift van 5 november 1998 heeft de raadsman van eiser de gronden van het bezwaar ingediend, daarbij stellende dat het bezwaar zich nadrukkelijk beperkt tot de datum van ingang van het pensioen. Bij brief van 17 augustus 1998 heeft de raadsman van eiser aan verweerder verzocht om het Koninklijk Besluit van 16 maart 1978 op een na 6 maart 1978 gelegen moment te herzien en wel op het moment dat naar het medisch inzicht van dat moment sprake zou zijn geweest van een verergerend dienstverband. Op 16 juni 1999 is eiser, bijgestaan door zijn raadsman, terzake van zijn bezwaren gehoord. Na deze hoorzitting heeft nog een orthopaedisch/specialistisch onderzoek plaatsgevonden door prof. dr. P.M. Rozing te Leiden, die op 17 september 1999 aan verweerder heeft gerapporteerd. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. 4. Motivering. Zoals uit het door de raadsman van eiser ingezonden aanvullende bezwaarschrift blijkt, richtte het door eiser tegen het besluit tot toekenning van een militair invaliditeitspensioen ingediende bezwaar zich slechts tegen de daarin opgenomen ingangsdatum van het pensioen. Voor zover eiser zelf aanvankelijk wel tegen een ander onderdeel van de pensioenbeschikking bezwaar had gemaakt, is dit bezwaar met het aanvullend bezwaarschrift van eisers raadsman vervallen. In het bestreden besluit is als volgt op het bezwaar beslist: "Wegens een gebrek aan een medisch substraat voor het aannemen van dienstverband voor genoemde aandoening aan de ellebogen, kan de kwestie met betrekking tot de ingangsdatum geen actueel onderwerp van geschil zijn. Er wordt immers geen enkel dienstverband aannemelijk geacht tussen de operatief behandelde aandoening van de linker en de rechter elleboog en de uitoefening van de militaire dienst, zodat aan de toetsing van de ingangsdatum niet meer kan worden toegekomen. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard. (.........) Het vorenstaande heeft de volgende consequentie. Het feit dat er thans is geconstateerd dat er een duidelijke beoordelingsfout is gemaakt door verzekeringsgeneeskundige de heer Van de Brand bij het commissoriaal geneeskundig onderzoek op 23 oktober 1997 en voorts in zijn commentaar van 26 november 1998, zal er dienen te worden overgegaan tot het nemen van een nieuwe primaire beslissing inzake het pensioen. Gelet op het vorenstaande impliceert dit dat het -naar thans blijkt op onjuiste gronden- toegekende pensioen wegens een onjuiste medische onderbouwing (voor de toekomst) zal dienen te worden ingetrokken. Te dien aanzien zult u te zijner tijd een beslissing ontvangen van de betreffende Producteenheid Pensioenen." De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient verweerder het primaire besluit te heroverwegen op de grondslag van het bezwaar. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder in feite geen besluit heeft genomen omtrent het door eiser ingediende bezwaar. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 7:11 Awb. De motivering om niet op het bezwaar van eiser in te gaan is dat verweerder dit niet zinvol meer acht, omdat hij voornemens is om, onder intrekking van het primaire besluit, een geheel nieuw besluit te nemen, waarbij aan eiser alsnog de aanspraak op een militair pensioen zal worden ontzegd. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering ondeugdelijk is en het bestreden besluit dus in strijd is met artikel 7:12 Awb. Zolang de beslissing waarbij het pensioen aan eiser werd toegekend niet is herzien, blijft deze de rechtsverhouding tussen partijen bepalen en blijft de vraag of de ingangsdatum van het pensioen in deze beslissing juist is vastgesteld wel van belang voor eiser en actueel. Niet kan worden aanvaard dat bij een beslissing op bezwaar niet meer in het bezwaar wordt getreden alleen op grond van een bij verweerder bestaand voornemen tot het nemen van een ander primair besluit. Overigens zou de gedachtengang van verweerder veeleer moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in plaats van tot ongegrondverklaring daarvan, omdat eiser, in verweerders visie, geen belang heeft bij een beslissing op het bezwaar. Het is echter evident dat dit, zolang de toekenningsbeslissing van het pensioen van kracht is, niet het geval is. Bovendien heeft de rechtbank overwogen dat, indien de administratieve rechter verweerder in zijn zienswijze zou volgen, dit ertoe zou leiden dat de beslissing omtrent -de ingangsdatum van- het pensioen formele rechtskracht kan verkrijgen, zonder dat de juistheid van die ingangsdatum inhoudelijk aan de orde is geweest en dat, terwijl niet vaststaat dat verweerder ook daadwerkelijk uitvoering zal geven aan zijn voornemen om een beslissing tot herziening van de pensioenbeslissing te nemen, die in rechte stand zal houden. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ¦ 1.420,-. Daarbij is 1 punt toegekend voor de indiening van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt ¦ 710,-, zaak van gemiddeld gewicht. 5. Beslissing. De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) als rechtspersoon aan eiser het door deze betaalde griffierecht, zijnde f. 225,- vergoedt. Veroordeelt verweerder in de kosten ad f. 1.420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden. 6. Rechtsmiddel. Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 van de Awb. Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee en door hem in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2000 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. J.A. Leijten. Voor eensluidend afschrift, De griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, Verzonden: Coll. :