
Jurisprudentie
AB0046
Datum uitspraak2000-12-18
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsArnhem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/3715
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsArnhem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/3715
Statusgepubliceerd
Indicatie
Mvv-vereiste / vrijstelling / asielverzoek.
Artikel 16a, derde lid, aanhef en onder b, Vw bepaalt dat van het bezit van een mvv zijn vrijgesteld vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend als bedoeld in artikel 15, eerste lid, Vw.
In de parlementaire geschiedenis is niet aangegeven wat onder "in procedure is" moet worden verstaan. Vooralsnog is de president van oordeel dat de wettekst moet worden uitgelegd als: tot onherroepelijk op de aanvraag om toelating is beslist. In casu heeft verzoekster op 10 maart 2000 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend, welke aanvraag bij beschikking van 12 maart 2000 door verweerder niet is ingewilligd. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is door de president van de rechtbank te 's-Gravenhage op 24 maart 2000 ongegrond verklaard.
Nu verzoekster haar aanvraag op 22 maart 2000 heeft ingediend - op een tijdstip dat nog niet onherroepelijk was beslist op de aanvraag om toelating als vluchteling - heeft het bezwaar naar het voorlopige oordeel van de president een redelijk kans van slagen. Daarbij neemt de president in aanmerking dat blijkens de bijzondere aanwijzing van de vreemdelingendienst d.d. 2 november 1999 (formulier D16) betreffende een eerdere aanvraag om een vtv partner van 7 oktober 1999 van verzoekster reeds op 14 juni 1999 door de gemachtigde verzocht werd om toelating als vluchteling, subsidiair een aanvraag tot het verlenen van een vtv op grond van humanitaire gronden, meer subsidiair een aanvraag tot het verlenen van een vtv partner. Daarbij was het een en ander misgegaan met de brieven van verzoeksters gemachtigde betreffende de indiening van een asielaanvraag én een vtv partner. Hierdoor was het volgens de vreemdelingendienst moeilijk te beoordelen of verzoekster voor haar aanvraag om een vtv ontheffing diende te krijgen van het mvv-vereiste nu wellicht nog een asielprocedure aanhangig zou kunnen zijn.
Toewijzing verzoek.
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
Zitting houdende te Arnhem
Vreemdelingenkamer
President
Registratienummer: 00/3715
Datum uitspraak: 18 december 2000
Uitspraak
ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in samenhang met artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)
in de zaak van
A,
Oekraïense nationaliteit
verzoekster,
mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,
gemachtigde mr. P.J. Wapperom,
tegen
DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. D.S. van Asperen,
ambtenaar bij de IND.
Het procesverloop
Op 22 maart 2000 heeft verzoekster, mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen, een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij echtgenoot B en het verrichten van arbeid al
dan niet in loondienst". Bij beschikking van 1 mei 2000 heeft de korpschef van de regiopolitie Brabant Noord namens verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Verzoekster heeft daartegen bij bezwaarschrift van 8 mei 2000 bezwaar gemaakt.
Verzoekster is medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.
Bij verzoekschrift van 8 mei 2000 heeft verzoekster de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 december 2000. Verzoekster is daarbij niet verschenen maar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde.
De beoordeling
1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand
aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Gelet op het bepaalde in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw dient ten aanzien van verzoekster te worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar dat is gericht tegen het besluit
van 15 maart 2000, een redelijke kans van slagen heeft. Voorts dient te worden beoordeeld of uitzetting hangende het bezwaar anderszins in strijd is met rechtsregels.
De president gaat uit van de volgende feiten omstandigheden.
3. Verzoekster is op 4 augustus 1996 samen met haar echtgenoot, B en hun zoon C, geboren op [...] 1995 Nederland binnengekomen. Verzoekster heeft de Oekraïense en haar echtgenoot de Afghaanse nationaliteit. Op 5 augustus 1996
hebben zij aanvragen om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf ingediend. Bij beschikking van 5 maart 1997 zijn voornoemde aanvragen niet ingewilligd en is verzoeksters echtgenoot in het bezit gesteld van een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Tegen deze beschikking hebben zij bezwaar gemaakt hetgeen bij besluit van 24 december 1997 ongegrond is verklaard. Vervolgens hebben verzoekster en haar echtgenoot beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 17 februari 1999 (Awb 98/610 en 98/ 1599) heeft de rechtbank te 's-Gravenhage het beroep ongegrond verklaard. Aan verzoeksters echtgenoot is op 29 juli 1999 een vergunning tot verblijf op grond van het
drie-jarenbeleid verstrekt.
4. Op [...] 1999 heeft verzoekster een tweede kind gekregen, D. Verzoekster heeft mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen op 7 oktober 1999 een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel:
"verblijf bij echtgenoot B en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst". Op 15 november 1999 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
5. Op 10 maart 2000 heeft verzoekster wederom een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Tegen de niet-inwilliging van deze aanvraag heeft verzoekster bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening ingediend. Bij
mondelinge uitspraak van de president van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 maart 2000 (Awb 00/2568) is het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
6. Op 22 maart 2000 heeft verzoekster wederom een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij echtgenoot B en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst". Bij beschikking
van 1 mei 2000 is de aanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een mvv.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de onderhavige aanvraag om toelating van 22 maart 2000 op juiste gronden buiten behandeling is gesteld. Niet gebleken is dat verzoekster ingevolge artikel 16a, derde lid van de Vw
en artikel 52a van het Vb een beroep kan doen op een of meer van de categorieën waarbij vrijstelling van het mvv-vereiste plaatsvindt.
Verzoeksters beroep op het vrijstellingsvereiste van artikel 16a, derde lid, onder b van de Vw met betrekking tot vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend kan niet slagen nu ten tijde van de
onderhavige aanvraag reeds op 12 maart 2000 aan verzoekster was medegedeeld dat zij het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag als vluchteling niet hier te lande mocht afwachten, hetgeen bij uitspraak van de rechtbank van
24 maart 2000 is gesanctioneerd.
Het beroep van verzoekster op de hardheidsclausule van artikel 16a, zesde lid van de Vw kan eveneens geen doel treffen nu verzoekster deze stelling op geen enkele wijze nader heeft geconcretiseerd.
Voorts gaat verweerder voorbij aan de door verzoekster in bezwaar overgelegde gegevens omtrent toelating, nu de vraag of aan de terzake gestelde voorwaarden om toelating wordt voldaan niet aan de orde is. De aanvraag om toelating is
immers niet in behandeling genomen.
Tenslotte betekent de weigering aan verzoekster om haar verblijf hier te lande toe te staan geen schending van artikel 8 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu
weliswaar sprake is van gezinsleven als bedoeld in voornoemd artikel doch geen sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan. De weigering verzoekster verblijf hier te lande toe te staan strekt er niet toe haar een
verblijfstitel te ontnemen. Van een positieve verplichting om verzoekster verblijf toe te staan is verweerder niet gebleken. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat de tegenwerping van het mvv-vereiste niet noodzakelijkerwijs
inhoudt dat aan het gezinsleven van verzoekster en haar echtgenoot niet te eniger tijd hier te lande invulling kan worden gegeven. Voor wat betreft de stelling van verzoekster dat haar echtgenoot geen toegang tot de Oekraïne wordt
verleend, wordt verwezen naar rechtsoverweging 9.3 van de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 februari 1999 waarin de rechtbank heeft overwogen dat gebleken is dat de echtgenoot van verzoekster in het bezit is gesteld
van een vvtv waarmee hij een voor grensoverschrijding geschikt reisdocument kan aanvragen om bij de vertegenwoordiging van de Oekraïne in België dan wel Duitsland een aanvraag om toelating te doen.
8. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat zij aan de overige voorwaarden van toelating wel voldoet. Voorts is zij van mening
dat van haar in alle redelijkheid niet verlangd kan worden dat zij terugkeert naar de Oekraïne, nu dit een schending van artikel 8 van het EVRM zou opleveren. Verzoeksters echtgenoot heeft immers een vergunning tot verblijf en
krijgt geen toegang tot de Oekraïne omdat hij geen geldig reisdocument heeft. Tenslotte had aan verzoekster een vrijstelling van het mvv vereiste verleend moeten worden omdat ten tijde van de onderhavige aanvraag een asielprocedure
aanhangig was.
De president overweegt als volgt.
9. Ingevolge artikel 4:5 van de Awb kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag of indien de
verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gesteld termijn de
aanvraag aan te vullen. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gesteld termijn
ongebruikt is verstreken.
10. In het eerste lid van artikel 16a van de Vw, zoals dit luidt per 11 december 1998, is bepaald dat een aanvraag om een vergunning tot verblijf slechts in behandeling wordt genomen indien de vreemdeling beschikt over een
geldige mvv, welke de vreemdeling heeft aangevraagd bij en welke de vreemdeling is verstrekt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of van bestendig verblijf van de vreemdeling.
Het derde lid van dit artikel bevat een zestal categorieën van vreemdelingen die van het bezit van een mvv zijn vrijgesteld. Daarnaast zijn in artikel 52 a van het Vreemdelingenbesluit (Vb), eveneens inwerking getreden op 11
december 1998, nog twaalf categorieën genoemd van vreemdelingen die zijn vrijgesteld. Verder kan krachtens artikel 16a, zesde lid, van de Vw in zeer bijzondere, individuele gevallen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
toelating worden afgezien van het vereiste mvv-bezit. Dit is de zogeheten hardheidsclausule.
Vast staat dat verzoekster bij haar aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf niet beschikte over een geldige mvv, ook niet nadat haar een redelijke termijn was geboden om die mvv alsnog over te leggen. Dit brengt met
zich mee dat verzoeksters aanvraag ingevolge het bepaalde in artikel 16a, eerste lid, van de Vw door verweerder in beginsel buiten behandeling kon worden gesteld zonder de voorwaarden om toelating te toetsen, tenzij geoordeeld moet
worden dat verzoekster kan worden gerekend tot één van de hierboven genoemde personen die van het bezit van een (geldige) mvv zijn vrijgesteld, dan wel dat verzoekster een beroep kan doen op de zogeheten hardheidsclausule van
artikel 16a, zesde lid van de Vw. Op dit laatste spitst het onderhavige geding zich toe.
11. Ten aanzien van verzoeksters beroep op de zogenoemde hardheidsclausule stelt de president voorop dat de wetgever heeft beoogd alleen in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik te maken van deze bepaling. Derhalve is in artikel
16a, zesde lid van de Vw bepaald dat in zeer bijzondere individuele gevallen van het mvv-vereiste kan worden afgezien.
De president is van oordeel dat het onverkort vasthouden aan het mvv-vereiste in het geval van verzoekster niet van een zodanige bijzondere hardheid is dat verweerder aan dat vereiste in redelijkheid niet meer zou mogen vasthouden,
nu verzoekster het beroep op de hardheidsclausule nauwelijks heeft onderbouwd.
12. Voorts bepaalt artikel 16a, derde lid, aanhef en onder b, Vw dat van het bezit van een machtiging tot verblijf zijn vrijgesteld vreemdelingen die een aanvraag om toelating als vluchteling hebben ingediend als bedoeld in
artikel 15, eerste lid, Vw. Het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1998/28 vermeldt dat deze vrijstelling geldt tot een beslissing op de asielaanvraag is genomen en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
ongebruikt is verstreken of op grond van het bezwaarschrift besloten is de uitzetting niet achterwege te laten. Dit komt de president voorshands niet zonder meer juist voor. De wettekst biedt immers ter zake geen duidelijkheid. Uit
de nota naar aanleiding van het verslag (ontvangen 20 mei 1997) met betrekking tot het voorstel van wet van de leden De Hoop Scheffer en Verhagen tot wijziging van de Vreemdelingenwet (wettelijke vastlegging van de machtiging tot
voorlopig verblijf) blijkt dat voornoemd artikel 16a, derde lid, aanhef en onder b, Vw de gevallen betreft dat een asielzoeker in procedure is (Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 1996-1997, 24 544, nr. 6, blz. 7). Niet
aangegeven is wat onder "in procedure is" moet worden verstaan. Vooralsnog is de president van oordeel dat de wettekst moet worden uitgelegd als: tot onherroepelijk op de aanvraag om toelating is beslist. In casu heeft verzoekster
op 10 maart 2000 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend, welke aanvraag bij beschikking van 12 maart 2000 door verweerder niet is ingewilligd. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is door de president van de
rechtbank te 's-Gravenhage op 24 maart 2000 ongegrond verklaard.
Nu verzoekster haar aanvraag op 22 maart 2000 heeft ingediend - op een tijdstip dat nog niet onherroepelijk was beslist op de aanvraag om toelating als vluchteling - heeft het bezwaar naar het voorlopige oordeel van de president een
redelijk kans van slagen. Daarbij neemt de president in aanmerking dat blijkens de bijzondere aanwijzing van de Vreemdelingendienst d.d. 2 november 1999 (formulier D16) betreffende een eerdere aanvraag om een vergunning tot verblijf
bij partner van 7 oktober 1999 van verzoekster reeds op 14 juni 1999 door de gemachtigde verzocht werd om toelating als vluchteling, subsidiair een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf op grond van humanitaire
gronden, meer subsidiair een aanvraag tot het verlenen van een vergunning tot verblijf bij partner. Daarbij was het een en ander misgegaan met de brieven van verzoeksters gemachtigde betreffende de indiening van een asielaanvraag én
een vergunning tot verblijf bij partner. Hierdoor was het volgens de Vreemdelingendienst moeilijk te beoordelen of verzoekster voor haar aanvraag om een vergunning tot verblijf ontheffing diende te krijgen van het mvv-vereiste nu
wellicht nog een asielprocedure aanhangig zou kunnen zijn.
13. Gezien hetgeen hierboven is overwogen kan een bespreking van het beroep van verzoekster op artikel 8 van het EVRM achterwege blijven.
14. De president is op grond van hetgeen onder rechtsoverweging 12 is overwogen van oordeel dat verweerder zijn beslissing om uitzetting van verzoekster gedurende de bezwaarprocedure niet achterwege te laten niet op goede
gronden heeft genomen, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen dient te worden.
15. In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 lid 1 Awb te veroordelen in de proceskosten, welke zijn begroot op f. 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
De Beslissing
De president:
wijst het verzoek toe;
verbiedt de uitzetting van verzoekster tot 4 weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;
veroordeelt verweerder in de door verzoekster voor het verzoek gemaakte proceskosten vastgesteld op f. 1420,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden, te voldoen aan de griffier van de rechtbank;
gelast dat het gestorte griffiegeld ad f. 225,-- door de Staat der Nederlanden, namens verweerder, aan de griffier van de rechtbank wordt vergoed.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Lely-van Goch als fungerend president in tegenwoordigheid van mr. drs. A. de Graag en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2000.
de griffier de fungerend president
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden: 19 december 2000