Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0045

Datum uitspraak2000-03-15
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers99/5444 MAWKLA
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage Sector Bestuursrecht Tweede kamer, enkelvoudig UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Reg.nr.: 99/5444 MAWKLA Inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, tegen de Staatssecretaris van Defensie, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluiten. De besluiten van verweerder van - 2 juni 1999, kenmerk JURA/99/20056; - 3 juni 1999, kenmerk JURA/99/20577 (tezamen vormend besluit 1); - 13 augustus 1999, kenmerk PDBOT/1999/28826 (besluit 2); - 11 februari 2000, kenmerk JURA/00/7251 (besluit 3). 2. Zitting. Datum: 23 februari 2000. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. G.W. Brouwer, advocaat te Groningen. Tevens is verschenen de heer [vader] sr, vader van eiser. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. F.H.A. Bots. 3. Feiten. Eiser, aangesteld met ingang van 29 januari 1996 bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd in de rang van [rang] bij de Koninklijke landmacht, heeft op 12 maart 1997 verzocht om ontslag uit militaire dienst. Bij besluit van 21 april 1997 is eiser met ingang van 12 juni 1997 eervol ontslag verleend. Tegen dat besluit heeft eiser bij bezwaarschrift van 29 mei 1997 bij verweerder bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaarschrift om advies in handen gesteld van het Adviesorgaan Bestuursrechtelijke Geschillen Koninklijke landmacht (verder: ABGKL). Bij besluit van 18 november 1997 heeft verweerder conform het ABGKL-advies van 29 oktober 1997 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het tegen dat besluit bij de rechtbank ingestelde beroep (98/17 MAWKLA) is bij uitspraak van 16 december 1998 gegrond verklaard, onder de bepaling dat verweerder op het bezwaarschrift van eiser een nieuwe beslissing diende te nemen, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak was overwogen. Bij brief van 29 januari 1999 heeft de Inspecteur Geneeskundige Dienst KL aan eiser medegedeeld dat hij bij het op 13 maart 1998 ingestelde militair geneeskundig onderzoek ongeschikt was bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst. Eiser heeft niet verzocht om het instellen van een herhaald geneeskundig onderzoek. Op 18 mei 1999 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eisers vader en vertegenwoordigers van verweerder, waarbij over verscheidene aspecten van eisers rechtspositie nadere afspraken zijn gemaakt. Ter uitvoering van eerder genoemde uitspraak heeft verweerder bij het thans bestreden besluit van 2 juni 1999 het ontslagbesluit van 21 april 1997 herroepen, is alsnog ontslag verleend aan eiser met ingang van 29 juli 1998 wegens het expireren van de aanstellingsduur, is besloten tot nabetaling van bezoldiging, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 1998, over de periode 12 juni 1997 tot en met 28 juli 1998, een en ander onder verrekening van de door USZO Defensie aan eiser verstrekte uitkering, en is tenslotte bepaald dat eiser geen aanspraak had op de aanstellingspremie ingevolge de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen krijgsmacht (verder: PAVBK). Bij besluit van 3 juni 1999 is een correctie aangebracht in het dictum van het besluit van 2 juni 1999, inhoudende dat daarin in plaats van 28 juli 1997 ten rechte wordt gelezen: 28 juli 1998. Tegen deze beide besluiten (in het vervolg tezamen aangeduid als: besluit 1) heeft eiser bij beroepschrift van 22 juni 1999 bij de rechtbank beroep ingesteld. Bij brief van 1 juli 1999 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek, onder handhaving van het beroep en met voorbehoud van rechten, het aan eiser verleende ontslag om te zetten in een eervol ontslag wegens blijvende medische ongeschiktheid voor het vervullen van de militaire dienst. Bij besluit van 13 augustus 1999 heeft verweerder aan dat verzoek voldaan: de ontslaggrond is daarbij gewijzigd in die van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f (verder: f-grond), van het Algemeen militair ambtenarenreglement (verder: AMAR), terwijl de ingangsdatum van het ontslag ongewijzigd is gebleven. Tegen dat besluit heeft eiser op 2 september 1999 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Conform het bepaalde in artikel 6:15, eerste lid, Awb heeft verweerder bij brief van 9 september 1999 dat bezwaarschrift aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift. Bij brief van 14 januari 2000 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij, met toepassing van artikel 6:19 Awb, het beroep van eiser mede gericht zal achten tegen verweerders besluit van 13 augustus 1999. Bij besluit van 11 februari 2000 heeft verweerder, onder intrekking van zijn eerdere besluiten van 2 juni 1999, 3 juni 1999 en 13 augustus 1999, opnieuw op het bezwaarschrift van eiser beslist. Na correctie van diverse onjuistheden in het dictum omvat verweerders besluit van 11 februari 2000 het volgende: - herroeping van het ontslagbesluit van 21 april 1997; - nabetaling van bezoldiging over de periode 12 juni 1997 tot en met 28 juli 1998, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 1998; - verrekening van de na te betalen bezoldiging met hetgeen USZO Defensie aan eiser heeft uitgekeerd; - toekenning van de PAVBK-premie van 6 procent over eisers bezoldiging in de periode 29 januari 1996 tot en met 28 juli 1998, verhoogd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 1998; - verlening van eervol ontslag aan eiser met ingang van 29 juli 1998 op grond van blijvende ongeschiktheid voor de uitoefening van de militaire dienst. Verweerder heeft de rechtbank verzocht evengenoemd besluit tevens te willen beschouwen als verweerschrift. 4. Bewijsmiddelen. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting. 5. Motivering. In dit geding moet worden beoordeeld of de bestreden besluiten, met inachtneming van de daartegen ingebrachte bezwaren, in rechte stand kunnen houden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bevoegdheid toekwam tot correctie van zijn eerdere besluitvorming ten aanzien van ontslagverlening aan eiser met bijbehorende beslissingen. Bij zijn besluit van 11 februari 2000 is verweerder alsnog aan eiser tegemoetgekomen terzake van de toekenning van de PAVBK-premie, vermeerderd met wettelijke rente, terwijl evengenoemd besluit verder moet worden gezien als een algeheel correctiebesluit, waarbij alle aspecten, verbonden aan eisers ontslag uit militaire dienst, definitief zouden worden geregeld. De rechtbank acht het nemen van een dergelijk besluit hangende beroep niet in strijd met het bepaalde in artikel 6:18, derde lid, Awb, aangezien verweerder ook los van dit beroep de bevoegdheid toekwam om nader aan eiser tegemoet te komen en eerdere, op onderdelen foutieve, besluitvorming te corrigeren. Eiser is bovendien door deze gang van zaken niet in zijn processuele of andere belangen benadeeld. Ten aanzien van de besluiten 1 en 2. Bij zijn besluit van 11 februari 2000 is verweerder overgegaan tot intrekking van zijn eerdere besluiten van 2 juni 1999, 3 juni 1999 en 13 augustus 1999. Daaruit blijkt dat verweerder die besluiten niet langer wenst te handhaven, zodat de daartegen ingestelde beroepen gegrond moeten worden verklaard. Het feit dat elementen uit de ingetrokken besluiten in het nieuwe besluit van 11 februari 2000 terugkeren maakt dat niet anders. Ten aanzien van besluit 3. Thans resteert derhalve de toetsing van verweerders besluit van 11 februari 2000. Eiser heeft tegen dat besluit allereerst aangevoerd dat dat besluit niet rechtsgeldig is bekendgemaakt doordat het niet aan hemzelf is uitgereikt, doch is toegezonden aan zijn gemachtigde. Eiser acht dit in strijd met het bepaalde in artikel 3:41 Awb omtrent de bekendmaking van besluiten. Voorts heeft verweerder bij dat besluit ten onrechte 29 juli 1998 als ontslagdatum gehandhaafd, hetgeen in strijd moet worden geacht met de door verweerder overgelegde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en van de rechtbank betreffende de conversie van ontslag. In de aldaar berechte gevallen ging het om eenzelfde feitencomplex als waarop het eerdere ongeldige ontslagbesluit was gebaseerd. In eisers geval is aanvankelijk ontslag verleend op verzoek, later wegens expiratie van de aanstellingsduur en nog later wegens blijvende dienstongeschiktheid op medische gronden. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij op 13 maart 1997 ziek is geworden en dat deze ziekte heeft voortgeduurd, zodat hij op 29 juli 1998 nog geen twee jaar ziek was en aanzienlijke belemmeringen ondervond bij het verkrijgen van arbeid in de burgermaatschappij. Eiser beroept zich daarom op ontslagbescherming. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat ontslagverlening op de b-grond van artikel 39, tweede lid, AMAR een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft, waarbij alle omstandigheden in de belangenafweging moeten worden betrokken, onder meer de aard en oorzaak van eisers arbeidsongeschiktheid. Ontslag wegens expiratie van de aanstellingsperiode was dus geenszins een vaststaand gegeven. Naar eisers oordeel kon hem op de f-grond, uitgaande van de kennisgeving betreffende de uitslag van het militair geneeskundig onderzoek van 29 januari 1999 en rekening houdend met de opzegtermijn van artikel 47, tweede lid, AMAR, niet eerder dan met ingang van 1 mei 1999 ontslag worden verleend. Samenvattend heeft eiser zich primair op het standpunt gesteld dat, nu het besluit van 11 februari 2000 niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, verweerder alsnog een ontslagbesluit dient te nemen, waarbij de ingangsdatum van het ontslag in de toekomst moet liggen en subsidiair dat, indien het besluit van 11 februari 2000 rechtsgeldig is, de ontslagdatum wegens veronachtzaming van de opzegtermijn moet worden geconverteerd in 1 juni 2000. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in het kader van een volledige heroverweging op goede gronden is gekomen tot het aan eiser verleende ontslag. Aangezien er geen dienstverband meer aanwezig was, kon eiser geen aanspraak maken op de ontslagbeschermingstermijn. BBT'ers die bij expiratie van het dienstverband dienstongeschikt zijn wegens ziekte of gebrek wordt ontslag verleend op de f-grond. Indien er geen sprake was geweest van een ontslagverzoek, zou eiser bascode 2 zijn geplaatst en zou een reïntegratie- traject zijn gevolgd, met begeleiding van het Bureau Sociaal Medische Aangelegenheden. Waarschijnlijk zou dat op niets zijn uitgelopen. Sinds 1 januari 1998 (invoering van de WAO-conforme uitkering voor het overheidspersoneel) geldt de ontslagbescherming van twee jaar alleen voor BOT'ers. Voorts heeft eiser er niet op kunnen vertrouwen dat zijn aanstelling zou worden verlengd, aangezien hij tot vijfmaal toe is gezakt voor een functie-opleiding en inmiddels op grond van een militair geneeskundig onderzoek dienstongeschikt is verklaard, aldus verweerder. De rechtbank overweegt thans als volgt. Allereerst dient te worden beoordeeld of verweerders besluit van 11 februari 2000 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Bij evengenoemde besluit is, onder intrekking van twee eerdere besluiten van 2/3 juni 1999 en 13 augustus 1999, (opnieuw) aan eiser ontslag verleend met ingang van 29 juli 1998. Genoemd besluit moet dus worden beschouwd als een ontslagbrief in de zin van artikel 50 AMAR. Dat artikel bevat een beperkende bepaling ten opzichte van artikel 3:41 Awb betreffende de bekendmaking van besluiten doordat daarin uitreiking van de ontslagbrief wordt voorgeschreven. Vaststaat dat verweerders besluit van 11 februari 2000 slechts is toegezonden aan eisers gemachtigde en niet aan eiser zelf is uitgereikt. De Centrale Raad van Beroep heeft bij zijn uitspraak van 5 augustus 1999, 98/8467 MAW en 99/2632 MAW, geoordeeld dat artikel 3:41 Awb ten aanzien van de bekendmaking een keuzemogelijkheid biedt (toezending of uitreiking) en dat artikel 50 AMAR, dat na de invoering van de Awb - bewust of onbewust - ongewijzigd is gelaten, een beperking van die keuzevrijheid bevat in die zin dat bekendmaking van ontslagbesluiten door persoonlijke uitreiking aan de betrokken militair de enig voorgeschreven wijze van bekendmaking is. Dit uitgangspunt moet naar het oordeel van de rechtbank echter uitzondering lijden in een geval als hier aan de orde, waarin in bezwaar opnieuw tot ontslagverlening wordt besloten (hetgeen ertoe leidt dat de beslissing op bezwaar tevens als ontslagbrief moet gelden), het ontslag materieel reeds eerder is verleend, de ontslagdatum reeds geruime tijd in het verleden ligt en uitreiking in persoon voor beide partijen onevenredig bezwarend is. De rechtbank heeft daarbij in dit concrete geval vooral het oog op de psychische problemen waarmee eiser nog steeds te kampen heeft. Nu eisers gemachtigde zich had gesteld, mocht verweerder volstaan met toezending aan diens kantooradres en moet die toezending geacht worden in de plaats te zijn getreden van de in artikel 50 AMAR voorgeschreven uitreiking in persoon. Het besluit van 11 februari 2000 is mitsdien rechtsgeldig bekendgemaakt. In het kader van eisers beroep was verweerder voorts ingevolge artikel 6:17 Awb verplicht een exemplaar van de (nadere) beslissing op bezwaar aan eisers gemachtigde te zenden. Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder bij het nemen van het besluit van 11 februari 2000 moest uitgaan van een gewijzigd feitencomplex, zodat de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep betreffende conversie van de ontslaggrond onder handhaving van de oorspronkelijke ontslagdatum (uitspraken van 24 oktober 1991 (TAR 1991, 235) en van 21 juli 1992 (TAR 1992, 205)) in dit geval niet van toepassing was. Met de intrekking van verweerders eerdere besluiten 1 en 2 lag de ontslagverlening aan eiser in beginsel weer geheel open. Ingevolge de uitspraak van de rechtbank van 16 december 1998 kon niet langer van een daadwerkelijk gewild ontslagverzoek worden uitgegaan, terwijl eiser inmiddels zijn voorkeur kenbaar had gemaakt, zij het onder handhaving van zijn beroep en onder voorbehoud van rechten, voor een ontslag op de f-grond. Bovendien heeft eiser de uitslag van het militair geneeskundig onderzoek, hem medegedeeld bij brief van 29 januari 1999, niet aangevochten, zodat die uitslag in rechte vaststond. De rechtbank stelt vast dat de problemen rond het aan eiser verleende ontslag zijn ontstaan doordat onvoldoende is onderkend dat op eisers ontslagverzoek, gelet op diens psychische gesteldheid ten tijde van dat verzoek, niet mocht worden afgegaan. Indien zulks wel het geval zou zijn geweest, ligt het echter voor de hand er van uit te gaan dat eiser dan de verplichting tot het ondergaan van een commissoriaal geneeskundig onderzoek zou zijn opgelegd. Eisers ontslagverzoek dateert van 21 april 1997. Blijkens het door verweerder overgelegde rapport van de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen (verder: CGOM) is het commissoriale geneeskundig onderzoek van eiser thans aangevraagd op 29 december 1997 en verricht op 13 maart 1998, terwijl daarover op 25 januari 1999 is gerapporteerd. Met een en ander is derhalve ongeveer 13 maanden gemoeid geweest. Bij deze periode van 13 maanden dient, bij een voortvarende behandeling door verweerder, voor de voorbereiding van de aanvraag nog eens 1 maand te worden opgeteld. De totale periode, benodigd voor het verkrijgen van een medisch oordeel over eisers psychische gesteldheid, was dus 14 maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de veronderstelling dat de behandelingsduur ingeval van een eerdere aanvraag aanmerkelijk korter of langer zou zijn geweest. Conclusie van de CGOM was dat eiser op psychische gronden ongeschikt was voor het vervullen van de militaire dienst. Uitgaande van de datum van eisers ontslagverzoek (21 april 1997), zou derhalve eerst 14 maanden later (omstreeks eind juni 1998) duidelijkheid hebben bestaan over de mogelijkheid tot ontslagverlening aan eiser op de f-grond. De rechtbank gaat er van uit dat in dat geval door verweerder ook daadwerkelijk tot ontslag- verlening op de f-grond zou zijn besloten en niet tot het laten expireren van eisers tijdelijke dienstverband per 29 juli 1998. Aan het niet succesvol kunnen voltooien van de door eiser gevolgde opleidingen lagen immers evenzeer zijn psychische problemen (mede) ten grondslag. Ingevolge het bepaalde in artikel 47, eerste en tweede lid, AMAR wordt bij de verlening van ontslag op - onder meer - de f-grond een opzegtermijn van drie maanden aangehouden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de militair van het voornemen tot ontslagverlening in kennis is gesteld. Het ontslag wordt in het algemeen verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand. Eiser is bij brief van 29 januari 1999 van de Inspecteur Geneeskundige Dienst KL geïnformeerd over de uitslag van het commissoriaal geneeskundig onderzoek. Uit punt 5. van genoemde brief, die niet namens verweerder is ondertekend, blijkt duidelijk dat daarin geen voornemen tot ontslagverlening moet worden gelezen. De brief beperkt zich tot het mededelen van de medische bevindingen uit het bedoelde onderzoek en het bieden van de mogelijkheid tot het aanvragen van een herhaald geneeskundig onderzoek. De conclusie uit dit alles moet zijn dat de ingangsdatum van een aan eiser verleend ontslag op de f-grond, bij een juiste gang van zaken en het ook dan uitblijven van een verzoek van eiser om een herhaald geneeskundig onderzoek, naar verwachting ergens in het vierde kwartaal 1998, in ieder geval enkele maanden na 29 juli 1998, zou hebben gelegen. Rekening houdend met het gegeven dat de ontslagaanzegging aan eiser in de zomervakantieperiode zou zijn behandeld, gaat de rechtbank uit van 1 december 1998 als de meest waarschijnlijke ontslagdatum. Bij de toetsing van verweerders besluit van 11 februari 2000 zal de rechtbank uitgaan van de in het voorgaande ontwikkelde objectiverende benadering. Deze laatste doet zien dat verweerder in evengenoemd besluit ten onrechte heeft overwogen dat in ieder geval aan eiser ontslag zou zijn verleend met ingang van 29 juli 1998 (bij expiratie aanstellingsduur), dat eiser door handhaving van de ontslagdatum op 29 juli 1998 niet werd benadeeld en dat voor een verdergaand rechtsherstel geen ruimte was. Bij het voorbereiden van zijn besluit van 11 februari 2000 deed zich derhalve een aan de eerdere ontslagbesluiten klevend gebrek voor dat de ingangsdatum zelve betrof. Daardoor was de door verweerder aangehaalde conversiejurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep niet van toepassing, zodat eisers stellingen ten aanzien van dat aspect doel treffen. Nu bovendien de aangehaalde overwegingen verweerders besluit niet kunnen dragen, kan dat besluit wegens een niet draagkrachtige motivering niet in stand blijven. Het beroep tegen besluit 3 moet derhalve gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om, ter voorkoming van eventuele verdere procedures, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, zelf in de zaak te voorzien, nu in redelijkheid uitgegaan moet worden van 1 december 1998 als de meest waarschijnlijke ontslagdatum van eiser en nader onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie zal kunnen bijdragen. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder, met toepassing van artikel 8:75 Awb, te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763 en 1997, 796) vastgesteld op ¦ 1.420. Daarbij is 1 punt toegekend voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt ¦ 710; gewicht van de zaak: gemiddeld. Nu de beroepen gegrond zullen worden verklaard, zal verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van ¦ 225 dienen te vergoeden. 6. Beslissing. De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: Verklaart het beroep tegen de besluiten 1 en 2 gegrond; Vernietigt de besluiten 1 en 2; Verklaart het beroep tegen besluit 3 gegrond; Vernietigt besluit 3; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 3 in stand blijven met dien verstande dat in het dictum van dat besluit, gecorrigeerd als in rubriek 3 van deze uitspraak aangegeven, in plaats van - 28 juli 1998 wordt gelezen: 30 november 1998; - 29 juli 1998 wordt gelezen: 1 december 1998; - 23 augustus 1998 wordt gelezen: 23 december 1998; Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit 3; Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad ¦ 1.420 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden; Gelast dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) als rechtspersoon aan eiser het door deze betaalde griffierecht, zijnde ¦ 225, vergoedt. 7. Rechtsmiddel. Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2000, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Leijten als griffier. Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, Verzonden: Coll. :