
Jurisprudentie
AB0044
Datum uitspraak2000-02-03
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/251 MAWKLA
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/251 MAWKLA
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
Sector Bestuursrecht
Tweede kamer, meervoudig
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Reg.nr.: AWB 99/251 MAWKLA
Inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
tegen de Staatssecretaris van Defensie te 's-Gravenhage, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit.
Het besluit van verweerder van 18 december 1998, kenmerk JURA/98/40323.
2. Zitting.
Datum: 18 januari 2000.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F.L. Joosten, advocaat te Utrecht.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mevrouw mr. C.L. Kuipers.
3. Feiten.
Op 29 maart 1993 is eiser opgekomen voor zijn militaire dienstplicht en werd hij geplaatst bij [onderdeel] te [legerplaats]. Tijdens de eerste bivakoefening van 10 tot en met 13 mei 1993 is eiser ten val gekomen in een 50 centimeter diepe kuil. Het voorval is op 31 december 1993 aangemerkt als een dienstongeval.
Met ingang van 1 februari 1995 is eiser uit de militaire dienst ontslagen wegens gebreken. Bij besluit van 5 juni 1996 is hem een pensioen ingevolge de Algemene militaire pensioenwet (Ampw) toegekend berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 10%. Bij besluit van 11 september 1996 is de mate van invaliditeit met dienstverband bepaald op 70% (10% plus een psychische component van 60%) met ingang van de datum van het ontslag en is het invaliditeitspensioen dienovereenkomstig verhoogd. Thans geldt voor eiser een percentage invaliditeit met dienstverband van 80.
Eiser heeft verweerder bij schrijven van 13 augustus 1997 verzocht om erkenning van de aansprakelijkheid voor de als gevolg van het ongeval door eiser geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. Bij besluit van 1 december 1997 heeft verweerder afwijzend op dat verzoek beslist. Bij schrijven van 18 december 1997, aangevuld bij schrijven van 15 april 1998, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Bij besluit van 18 december 1998, het bestreden besluit, heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.
Bij brief van 8 januari 1999, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 11 januari 1999, heeft eiser beroep ingesteld tegen dat besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
4. Bewijsmiddelen.
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering.
In dit geschil is aan de orde de vraag of verweerder aansprakelijk is voor de door eiser als gevolg van het hem overkomen dienstongeval geleden schade.
Ten aanzien van het dienstongeval en de gebeurtenissen daarna is het volgende gebleken.
Tijdens eisers eerste bivakoefening, die plaatsvond van maandag 10 mei 1993 tot en met donderdag 13 mei 1993, is hij bij het rennend verplaatsen op het oefenterrein gevallen in een vijftig centimeter diepe, met gras begroeide kuil.
Deze kuil was mogelijk het restant van een niet volledig dicht gegooide schuttersput. Het ongeval vond, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, plaats op 11 mei 1993 te 14.00 uur. De blijkens dat proces-verbaal daarover afgelegde verklaringen zijn echter niet eensluidend. Volgens een mededienstplichtige vond het ongeluk niet om 14.00 uur plaats, maar in het donker en eiser stelt thans dat hij destijds heeft verklaard dat het ongeluk plaatsvond, nadat ongeveer twee uur geoefend was (derhalve niet om 14.00 uur).
Na zijn val heeft eiser zich op 13 mei 1993 bij sergeant [sergant] gemeld met de mededeling dat hij nu "echt" pijn had. Eiser stelt dat hij reeds eerder geklaagd had, maar dat hem gezegd werd niet te zeuren en door te gaan met de oefening. Uit het genoemde proces-verbaal leidt de rechtbank af dat eiser reeds eerder geklaagd had over pijn, zij het dat niet duidelijk is tegen wie. Sergeant [sergant] verklaarde immers blijkens het opgemaakte proces-verbaal, dat hij, toen eiser zich op 13 mei 1993 bij hem meldde, reeds gehoord had "dat [eiser] eerder in zijn schuttersput was gevallen".
Sgt [sergant] heeft eiser vervolgens doorgestuurd naar sgt1[sgt1]. Laatstgenoemde oordeelde dat eiser na afloop van de velddienst (op 13 mei 1993) naar de onderdeelsarts kon gaan, omdat er geen direct vervoer ingezet kon worden. Vast staat derhalve dat eiser de hele bivakoefening heeft afgemaakt inclusief een mars van 15 kilometer terug naar de kazerne. Na terugkomst op de kazerne heeft eiser zich willen melden bij de onderdeelsarts, die echter niet meer aanwezig was. De volgende dag vrijdag 14 mei 1993, heeft eiser zich gemeld bij de onderdeelsarts. Deze constateerde in eerste instantie een kneuzing van de heup. Eiser kreeg vrij van sporten, marsen en veldloop.
Op 18 mei 1993 heeft eiser zich ziek thuis gemeld. Op 25 mei 1993 werd hij thuis bezocht door een controlerend arts. Deze arts bepaalde dat eiser op 27 mei 1993 terug moest naar zijn onderdeel. Op 2 juni 1993 bezocht eiser weer de onderdeelsarts met pijnklachten in de linker heup. Op 4 juni 1993 bezocht eiser andermaal de onderdeelsarts, die toen een geïnclaveerde fractuur van de linker heup constateerde en eiser doorstuurde naar het St. Jansdalziekenhuis te Harderwijk, waarna opname volgde. De heup werd conservatief behandeld door middel van rust en zweefverband. Op 7 juli 1993 volgde ontslag uit het ziekenhuis en aansluitend revalidatie in het Militair Revalidatiecentrum te Doorn.
Eiser voert aan dat hij als gevolg van het ongeval tot op heden zodanig last heeft van zijn heup dat hij tot niets in staat is. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat op verweerder een schuldaansprakelijkheid rust en subsidiair dat op verweerder een risico-aansprakelijkheid rust.
Met betrekking tot de vraag naar de schuldaansprakelijkheid geldt dat de beantwoording van die vraag dient plaats te vinden aan de hand van de door de Centrale Raad van Beroep ter zake van zelfstandige schadebesluiten geformuleerde normen. Omtrent de gehoudenheid van een bestuursorgaan tot vergoeding van vóór 1 januari 1993 geleden schade heeft de Raad de norm geformuleerd dat is vereist dat sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden, en dat dit optreden en die schade van zodanige aard zijn dat de schade in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komt. Voor schade geleden op of na 1 januari 1993 hanteert de Raad, in aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, de (verruimde) norm dat voor schadevergoeding alleen dan aanleiding kan zijn indien de schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan.
Gelet op de datum waarop het dienstongeval heeft plaatsgevonden dient de rechtbank de aanspraak op schadevergoeding te toetsen aan de hiervoor genoemde norm voor schade, geleden na 1 januari 1993.
Hierbij dient te worden aangemerkt dat anders dan in het civiele recht de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechtsprekende instantie te dezen, een omkering van de bewijslast niet heeft aanvaard.
Eiser voert aan dat er sprake is van een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatig handelen, samengevat hieruit bestaande dat:
- niet vooraf duidelijk gewaarschuwd is voor bijvoorbeeld niet volledig dicht gegooide schuttersputten, rekening houdend met de onervarenheid van eiser,
- verwijtbaar onzorgvuldig is gehandeld door geen acht te slaan op de door eiser geuite pijnklachten, waardoor zijn persoonlijkheidsrechten (met name het recht op persoonlijke integriteit) zijn aangetast,
- verwijtbaar onzorgvuldig is gehandeld door eiser niet te ontslaan van verdere oefeningen maar hem juist door te laten werken en hem onder andere nog op te dragen een mars van 15 kilometer af te leggen.
- onzorgvuldig is gehandeld door bij de medische controle geen rekening te houden met de mogelijkheid van lichamelijk letsel.
Verweerder stelt dat het niet onrechtmatig is dat eiser, na vijf weken verblijf in militaire dienst, voor het eerst deelnam aan een bivakoefening. Daarbij mag van de militair oplettendheid verwacht worden en mag hij verondersteld worden bekend te zijn met het gegeven dat in een militair oefenterrein diverse obstakels aanwezig kunnen zijn.
Verweerder heeft er voorts op gewezen dat de verschijnselen bij een geïnclaveerde heupbreuk verraderlijk gering kunnen zijn en dat bij onderzoek vaak weinig tot geen afwijkingen zijn te vinden. Er is geen verkorting of standsverandering zoals bij andere fracturen, en het aangetroffen beeld bij functie-onderzoek is vaak normaal, zelfs zonder pijn. Het betreft derhalve een diagnose die gemakkelijk is te missen, zeker in het beginstadium. In het algemeen is een afwachtend beleid zeker in het beginstadium te verdedigen. Voor het overige stelt verweerder samengevat dat eiser de late diagnosestelling aan zichzelf te wijten heeft.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de door eiser geclaimde schade een rechtstreeks gevolg is van een onrechtmatig en aan verweerder toe te rekenen handelen of nalaten. Met name is de rechtbank niet van oordeel dat de opdracht tot het zich rennend verplaatsen, in het kader van de eerste bivakoefening, niet had mogen worden gegeven zonder uitdrukkelijke voorafgaande waarschuwing voor kuilen en oneffenheden in het terrein. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, ook indien een oefening in het donker plaatsvindt, van een militair verwacht mag worden dat hij bij het rennend verplaatsen oplettendheid betracht bij het vermijden van obstakels in het algemeen, waaronder ook kuilen in het terrein zijn te begrijpen. Wel kan van verweerder in redelijkheid gevergd worden dat hij er zorg voor draagt dat gegraven schuttersputten, die gewoonlijk 180 x 50 centimeter in oppervlakte en gemiddeld 1.40 meter diep zijn, weer worden dichtgegooid, doch niet kan in redelijkheid van verweerder worden gevergd dat zich in het oefengebied bevindende vijftig centimeter diepe, met gras begroeide kuilen (al dan niet het restant van een schuttersput) worden dichtgegooid of gemarkeerd. Verweerder mag er in redelijkheid van uitgaan dat dienstplichtigen dergelijke obstakels, ook zonder daarvoor expliciet te zijn gewaarschuwd, zonder ongelukken weten te passeren. Een ongeval als het onderhavige, dat voortkomt uit het zich bewegen over een oneffen terrein, kan niet aan verweerder worden toegerekend, nu het gebruik van dit terrein voor de bivakoefening niet in strijd is met de zorgvuldigheid, die verweerder bij het kiezen van een oefenterrein in acht dient te nemen.
Met betrekking tot het door eiser gestelde zogenoemde "doctors delay" is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld doordat onvoldoende adequaat op eisers klachten is gereageerd, waardoor eiser de kans op een meer adequate behandeling is ontnomen. Dienaangaande acht de rechtbank van belang dat eiser na zijn val in eerste instantie zelf besloten heeft de oefening voort te zetten en zich eerst op 13 mei 1993 heeft gemeld bij sergeant [sergant] . Weliswaar heeft eiser gesteld dat hij al eerder heeft geklaagd, doch niet gebleken is dat hij zijn klachten bij het kader en voldoende duidelijk naar voren heeft gebracht. Voorts heeft hij toen kennelijk, wellicht na aansporingen daartoe, de oefening toch voortgezet.
In die omstandigheden is niet onbegrijpelijk dat sgt1 [sgt1]] heeft gemeend dat eiser niet ernstig geblesseerd was en de oefening nog kon afmaken, waarna hij zich bij de onderdeelsarts zou kunnen melden.
Het handelen op 14 mei 1993 van de onderdeelsarts, die toen een kneuzing van de heup constateerde en eiser vrijstelde van sporten, marsen en veldloop, acht de rechtbank evenmin medisch onzorgvuldig, nu verweerder onvoldoende weersproken heeft gesteld, dat de verschijnselen bij een geïnclaveerde collumfractuur gering kunnen zijn en dat een afwachtend beleid in het beginstadium medisch te verdedigen valt. Voorts had van eiser in redelijkheid verwacht kunnen worden dat hij zich, nadat hij zich ziek thuis had gemeld op 18 mei 1993, tot zijn huisarts had gewend. Nu hij dat niet gedaan had, heeft de controlerend arts die eiser op 25 mei 1993 thuis bezocht in redelijkheid tot het voorlopig oordeel kunnen komen dat er sprake was van een overbelasting van de spieren en op grond daarvan in redelijkheid kunnen oordelen dat eiser twee dagen later in staat zou zijn naar zijn onderdeel te reizen. Eiser heeft tot slot na terugkeer op het onderdeel een week gewacht alvorens zich wederom te melden bij de onderdeelsarts. Ook hieruit maakt de rechtbank de gevolgtrekking dat de symptomen, ook in eisers perceptie, kennelijk niet zo ernstig waren dat gedacht zou moeten worden aan een geïnclaveerde heupfractuur. Dat de juiste diagnose eerst op 4 juni 1993 is gesteld acht de rechtbank onder voornoemde omstandigheden, hoewel ongelukkig, niet het gevolg van een aan verweerder toe te rekenen onzorgvuldig optreden.
Subsidiair is eiser van oordeel dat op verweerder met betrekking tot de geleden schade een zogenaamde risico-aansprakelijkheid rust.
Namens eiser is in dit verband aangevoerd dat in casu de omstandigheden van een bivak-oefening, waarbij fysieke en tactisch/technische vorming van een militair door middel van het gebruik maken van instrumenten als schuttersputten en het doen van allerlei oefeningen waarbij men het risico loopt in contact te komen met één of meer schuttersputten, omstandigheden zijn die de veiligheid van een oefening op een zodanige wijze aantasten dat deze op één lijn behoren te staan met gereedschappen of machines als bedoeld in de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 1997 (TAR 1997/59) vast dat in het onderhavige geval geen risico-aansprakelijkheid dient te worden aangenomen. Immers in die uitspraak heeft de Raad overwogen:
'In algemene zin geldt dat, gegeven de zowel in het civiele recht als in het bestuursrecht geldende hoofdregel dat van aansprakelijkheid ter zake van feitelijk handelen alleen sprake kan zijn in geval van schuld bij degene die de schade heeft veroorzaakt (schuldaansprakelijkheid), de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij het aanvaarden van risico-aansprakelijkheid in andere gevallen dan die waarin deze in een bijzonder wettelijk voorschrift uitdrukkelijk is vastgelegd of waarin (het stelsel van) de wettelijke regeling daarvoor anderszins voldoende aanknopingspunten biedt.
(...)
Uit het feit dat in bijzondere wettelijke voorschriften specifieke voorzieningen zijn getroffen (...) waarvan de toepasselijkheid niet afhankelijk is van het feit of het desbetreffende bestuursorgaan al dan niet schuld heeft aan het ontstaan van de schade van de ambtenaar, leidt de Raad af dat de wetgever in gevallen als het onderhavige uitdrukkelijk niet heeft gekozen voor (volledige) risico-aansprakelijkheid.'
Naar het oordeel van de rechtbank voorziet de Ampw voor de door eiser geclaimde materiële en immateriële schade in een specifieke voorziening als bedoeld in voorgaande overweging van de Raad.
In zijn uitspraak van 17 maart 1994, TAR 1994/106, heeft de Raad dit uitgangspunt enigermate genuanceerd. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat een zekere vorm van risico-aanvaarding door het bestuursorgaan moet worden aangenomen in gevallen, waarbij (letsel)schade ontstaat als gevolg van een ongeval tijdens werkzaamheden van bedrijfsmatige aard, waarbij gebruik wordt gemaakt van gereedschap en machines. Op het bestuursorgaan komt een vergoedingsplicht te rusten voor schade die een gevolg is van een bedrijfsongeval dat zich voordoet in een werksituatie, die aanvankelijk geen gevaren voor de veiligheid van de ambtenaar leek op te leveren en waarin mogelijke gevaren bij het gebruik van werktuigen, machines en overige hulpmiddelen in vergaande mate waren beperkt, maar waarbij het -achteraf bezien- toch mogelijk was geweest doelmatiger veiligheidsmaatregelen te treffen.
De rechtbank is van mening dat in het onderhavige geval de hier bedoelde vorm van risico-aanvaarding door het bestuursorgaan niet kan worden aangenomen. De door eiser aangevoerde omstandigheden waaronder de bivakoefening heeft plaatsgevonden kunnen niet als gereedschap of machine worden aangemerkt. Voorts kan een bivakoefening bezwaarlijk worden beschouwd als een werkzaamheid van bedrijfsmatige aard, waarbij gereedschap of machines worden gebruikt. Evenmin kan worden gezegd dat doelmatiger veiligheidsvoorzieningen hadden kunnen worden getroffen.
Met betrekking tot het eerst ter zitting door eiser aangevoerde beroep op artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan eiser stelt dat op verweerder een risico-aansprakelijkheid berust als terrein/wegbeheerder, merkt de rechtbank op dat er hier geen sprake is van een opstal, zodat dit artikel geen (analoge) toepassing vindt.
Concluderend is het oordeel van de rechtbank dat er ter zake van het onderhavige dienstongeval op verweerder geen schuldaansprakelijkheid en evenmin een risico-aansprakelijkheid rust.
Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
6. Beslissing.
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
Verklaart het beroep ongegrond.
7. Rechtsmiddel.
Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee, mr. J.W.H.B. Sentrop en J. Stoffels, brigadegeneraal b.d. bij de Koninklijke Landmacht (militair lid) en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2000, in tegenwoordigheid van mr J.A. Leijten als griffier.
Voor eensluidend afschrift,
de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,
Verzonden:
Coll. :