Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0037

Datum uitspraak2001-02-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 98/227
Statusgepubliceerd


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 98/227 8 februari 2001 11200 Uitspraak in de zaak van: Maatschap A, te B, appellante, gemachtigde: mr J.A.J.H. van Houtum, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigden: mr G. de Goede, werkzaam bij verweerder. 1. De procedure Op 19 maart 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 februari 1998. Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de beslissing waarbij een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 86 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is vastgesteld, na verlaging van het berekende bedrag met 70%. Verweerder heeft op 28 mei 1998 een verweerschrift ingediend. Op 11 juli 2000 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunt nader hebben doen toelichten. Het College heeft verweerder ter zitting in de gelegenheid gesteld daarna nog enkele vragen schriftelijk te beantwoorden en daarbij nog nadere stukken in te dienen. Bij brief van 1 augustus 2000 heeft verweerder van die gelegenheid gebruik gemaakt. Bij brief van 21 augustus 2000 heeft appellante hierop gereageerd. Bij brief van 29 december 2000 heeft het College partijen in de gelegenheid gesteld te berichten of zij nog nadere behandeling ter zitting wensten. Vervolgens heeft het College het onderzoek met instemming van partijen zonder nadere zitting gesloten op 12 januari 2001. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Regelgeving Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Wet van 6 februari 1997, Stb. 630 (hierna: GWD) " Artikel 21 1. Een door Onze minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester (.) zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht. 2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk. 3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester daarvan onmiddellijk in kennis. Artikel 22 1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn: (.) f. het doden van zieke en verdachte dieren; g. het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren, en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor de verspreiding van smetstof; (.) 2. (.) Artikel 86 1. Uit 's Rijks kas wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien: a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood; b. produkten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt; c. maatregelen krachtens het bepaalde in artikel 22, tweede lid, onderdeel f en g, zijn toegepast. 2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt: a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand, b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand, c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de maatregel, met dien verstande, dat het aldus bepaalde bedrag met bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentages kan worden verlaagd. Deze percentages verschillen naar gelang aan de in de laatste zinsnede bedoelde maatregel gestelde eisen ter zake van de inrichting van het bedrijf is voldaan en door de eigenaar in die maatregel bedoelde maatregelen zijn genomen om de gezondheid van de dieren op het bedrijf te waarborgen. (.) Artikel 91 Schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als bedoeld in artikel 17 of 21, kan voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 voor vergoeding in aanmerking komt, in door Onze Minister te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit 's Rijks kas worden vergoed." Besluit bescherming tegen bepaalde zo”nosen en bestrijding besmettelijke dierziekten, Stb. 1996, 156 (hierna: het Besluit) " Artikel 8 1. De in artikel 86, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde percentages tot verlaging van de tegemoetkoming in de schade bedragen bij het uitbreken van varkenspest bij varkens: a. indien op een bedrijf varkens afkomstig van vier of meer andere bedrijven aanwezig zijn: 35%; b. indien de houder op de eerste vordering van een aangewezen ambtenaar niet kan aantonen van welke bedrijven de op zijn bedrijf aanwezige varkens afkomstig zijn: 100%; c. indien door een aangewezen ambtenaar is geconstateerd dat niet alle varkens op het bedrijf overeenkomstig de door bedrijfslichamen als bedoeld in artikel 66 Wet op de Bedrijfsorganisatie vastgestelde regelen of overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 9 Veewet, behoudens het geval waarin artikel 9a, tweede lid, Veewet van toepassing is, of artikel 96 van de wet van een merk zijn voorzien of zijn geregistreerd: 35%; d. (. tot en met i .) 2. Voor de bepaling of de in het eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde situatie zich voordoet, worden varkens waarvan de houder op eerste vordering van een aangewezen ambtenaar aantoont dat zij langer dan vier maanden ononderbroken op zijn bedrijf aanwezig zijn, buiten beschouwing gelaten. 3. Indien op een bedrijf meer dan een der onderdelen a tot en met i van het eerste lid van toepassing zijn, worden de toepasselijke percentages bij elkaar opgeteld tot een maximum van 100." Verordening van het Landbouwschap inzake de identificatie en registratie van varkens 1995, PBO-blad, jaargang 45, nummer 83, L67, 29 december 1995 (hierna: I&R- verordening). " Artikel 9 1. De ondernemer is verplicht binnen 2 werkdagen alle mutaties in zijn varkensstapel met uitzondering van geboorten, aan het I & R bureau te melden. 2. Het melden wordt volledig en naar waarheid gedaan volgens de door de Afdeling te stellen regels en heeft in ieder geval betrekking op: a. het UBN van betrokken vestiging; b. het UBN van de vestiging of van het bedrijf waaraan afgestaan of waarvan ontvangen is; c. indien dit afwijkt van de in onderdeel b. bedoelde UBN's, het nummer op het merk dat is aangebracht op het varken waarop de mutatie betrekking heeft; d. het aantal varkens en de soort varkens waarop de mutatie betrekking heeft; e. de datum van mutatie; f. in voorkomend geval het nummers van het gezondheidscertificaat; en g. de wijze van vervoer." 2.2 De vaststaande feiten Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Het bedrijf van appellante is in verband met de uitbraak van klassieke varkenspest besmet verklaard. - Op 19 en 26 februari 1997 is de varkensstapel van appellantes bedrijf, gevestigd te B, met UBN nr. 1751860, getaxeerd. De totale waarde is door de taxateur vastgesteld op fl. 369.930,15. De taxatieformulieren zijn door de eigenaar of diens gemachtigde ondertekend. Vervolgens is het bedrijf geruimd. - Blijkens een rapport van 13 maart 1997 heeft de Algemene Inspectiedienst van verweerders ministerie (hierna: AID) ten behoeve van de schaderegeling op appellantes bedrijf een onderzoek ingesteld naar de naleving van voor dat bedrijf geldende voorschriften, als bedoeld in artikel 8 van het Besluit. Volgens dat onderzoek zijn op het bedrijf van appellante van meer dan 3 andere varkens- houderijen varkens aangevoerd (respectievelijk op 6 december 1996 1 fokvarken van het bedrijf C, op 19 december 1996 6 fokgelten en op 24 januari 1997 eveneens 6 fokgelten van het bedrijf Mts. D, op 14 januari 1997 3 fokgelten afkomstig van het bedrijf E en voorts, aldus het rapport: " Aanvoer van mestbiggen, waarvan de aanvoerdatum niet bekend is, afkomstig van het eveneens tot de Maatschap A behorend varkensfokbedrijf gelegen aan te B (UBN 2115591), welk bedrijf op 12 februari 1997 preventief is geruimd." - Bovendien heeft, volgens het AID-rapport, appellante enkele malen de aanvoer van varkens niet binnen 2 werkdagen gemeld aan het I & R bureau. - Bij besluit van 18 maart 1997 heeft verweerder appellante - zakelijk weergegeven - meegedeeld dat op grond van dat onderzoek op het bedrag van de getaxeerde waarde van de varkensstapel een korting van 70% is toegepast en dat appellante als tegemoetkoming in de schade een bedrag van fl. 110.979,05 zal worden uitbetaald. - Op het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit 3.1 Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen de verlaging van 70% van de tegemoetkoming in de schade ongegrond verklaard. 3.2 De overwegingen van verweerder ten aanzien van de bezwaren van appellante tegen de verlaging van de tegemoetkoming, voorzover die verlaging haar grond vindt in het bepaalde bij artikel 86, tweede lid, GWD juncto artikel 8, eerste lid, onder c, van het Besluit wegens een aantal malen niet melden van de aanvoer van varkens bij het I&R bureau Varkens zijn, voorzover hier van belang, gelijkluidend aan die welke verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing op het bezwaar dat ter beoordeling stond in de - aan partijen door het College toegezonden - uitspraak AWB 97/1599. Deze beslissing is aan die uitspraak gehecht en wordt geacht daarvan deel uit te maken, zodat het College voor de overwegingen van verweerder ten aanzien van bedoelde bezwaren naar de inhoud van genoemde uitspraak verwijst. 3.3 De overwegingen die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing tot ongegrondverklaring van appellantes bezwaren tegen de taxatie en tegen de verlaging van de tegemoetkoming in de schade, voorzover die haar grond vindt in het bepaalde bij artikel 86, tweede lid, GWD juncto artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit juncto artikel 8, derde lid, van het Besluit, luiden, voorzover hier van belang, als volgt: " Op grond van artikel 87 van de Wet zijn Uw varkens, alvorens te worden gedood, en de voorwerpen en producten, alvorens te worden vernietigd, gewaardeerd. Zoals dit is voorgeschreven in artikel 88, eerste lid, van de Wet, is de waardevaststelling uitgevoerd door een be‰digd deskundige. Deze was vergezeld van een medewerker van de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (hierna te noemen: de RVV). Uw varkens en voorwerpen en producten zijn gewaardeerd naar de omstandigheden van Uw bedrijf en de specifieke kenmerken van de varkens en voorwerpen en producten. U heeft de waardevaststelling ondertekend. Daarmee heeft U ingestemd met de vastgestelde waarde en afgezien van inschakeling van de kantonrechter om een hertaxatie te laten uitvoeren, zoals voorzien in artikel 88, tweede lid, van de Wet. U heeft in Uw bezwaarschrift gesteld dat U zich niet kunt verenigen met de waardevaststelling, dat U zich niet bewust was van hetgeen U ondertekende omdat U zich in een emotionele toestand bevond en dat U min of meer gedwongen de taxatie voor akkoord heeft getekend. Hierover merk ik het volgende op. Mij is niet gebleken dat de taxatie op een onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Zoals gezegd, is de taxatie uitgevoerd door een daartoe be‰digd deskundige, die door ervaring en kennis op juiste wijze de waarde van de op Uw bedrijf aanwezige varkens en voorwerpen en producten heeft vastgesteld. Mij is niet gebleken dat de taxatie procedureel of inhoudelijk onjuist is geschied. Overigens heeft U in Uw bezwaarschrift niet concreet aangegeven waarom de waardevaststelling niet juist zou zijn, doch heeft U zich beperkt tot een algemene stelling. Het is voorstelbaar dat U zich ten tijde van de taxatie in een emotionele toestand bevond. Mij is echter niet gebleken dat deze toestand dermate ernstig was, dat U ten aanzien van de vastgestelde waarde en de ondertekening, waarbij U zich akkoord verklaarde met deze vastgestelde waarde, niet Uw wil kon bepalen en zich niet bewust was van de situatie. Daarbij neem ik in aanmerking dat op grond van de regelgeving en op grond van het feit dat taxatie ten behoeve van een tegemoetkoming in de schade reeds enige jaren praktijk is, het als algemeen bekend mag worden verondersteld dat men zich niet hoeft neer te leggen bij een (eerste) taxatie. Ook U had op de hoogte kunnen zijn, althans op de hoogte behoren te zijn, dat ten tijde van de taxatie bezwaar kan worden gemaakt tegen de vastgestelde waarde en dat in dat geval de kantonrechter ingeschakeld wordt. De juistheid van Uw stelling dat U (anderszins) min of meer gedwongen werd de waardevaststelling voor akkoord te tekenen is door U niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is dit mij op enigerlei wijze gebleken. U heeft verzocht alsnog de kantonrechter in te schakelen voor een hertaxatie. Aan dit verzoek kan echter niet tegemoet worden gekomen. U heeft immers door ondertekening zonder voorbehoud ten aanzien van de waardevaststelling genoegen genomen met de aldus bepaalde waarde. Inschakeling van de kantonrechter ten behoeve van een hertaxatie is derhalve niet aan de orde. Tegemoetkoming in de schade en de toegepaste korting Een gesloten systeem van tegemoetkomingen. De Wet kent een gesloten systeem van tegemoetkomingen in de schade. De wetgever heeft beoogd slechts een beperkt aantal vormen van schade voor een tegemoetkoming in aanmerking te doen komen. Deze zijn concreet omschreven in de bepalingen omtrent tegemoetkomingen in de schade in de Wet, zijnde de artikelen 85 tot en met 90. Ten aanzien van andere vormen van voorzienbare schade heeft de wetgever de bedoeling gehad dat deze in principe niet uit 's Rijks kas worden vergoed. (.) De schadevergoeding zoals deze aan U wordt uitgekeerd, is niet meer dan een tegemoetkoming in de door U geleden schade. Indien Uw bedrijf de schade die niet door mij vergoed wordt niet kan dragen, is dat een omstandigheid die voor Uw rekening komt. Ten aanzien van de uitingen van bewindslieden merk ik op, dat aan U geen concrete toezeggingen zijn gedaan dat Uw schade geheel vergoed zou worden. Van enig opgewekt vertrouwen dat gehonoreerd dient te worden is in Uw geval dan ook geen sprake. (.) U wijst in Uw bezwaarschrift op de tekst van het tweede lid van artikel 86 van de Wet en betoogt dat het opleggen van een korting een discretionarie bevoegdheid van de minister is. Naar Uw mening dient, alvorens een korting op te leggen, de afweging te worden gemaakt in hoeverre een korting redelijk en billijk moet worden geacht en zo ja, hoe groot die korting onder de gegeven omstandigheden mag zijn. De in het besluit genoemde percentages zouden maximumpercentages zijn. Uw stellingen acht ik niet juist. Hoewel in de formulering van het tweede lid van artikel 86 van de Wet het woord "kan" is gebruikt, heeft deze formulering niet de betekenis van een discretionarie bevoegdheid van de minister die in zou houden dat in elk individueel geval zou mogen of zou moeten worden gewogen of een korting wel of niet wordt toegepast. De bepaling dient zo te worden gelezen, dat als het noodzakelijk wordt geacht dat bij een bepaalde besmettelijke dierziekte een korting op de tegemoetkoming wordt toegepast, de wetgever heeft gemeend dat dit dan bij algemene maatregel van bestuur dient te worden geregeld. Door het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur (in casu het Besluit) is gebruik gemaakt van voornoemde bevoegdheid, zodat in de daarin genoemde gevallen deze korting toegepast moet worden. (.) Is eenmaal besloten tot de introductie van een kortingsregime, dan dienen de in de algemene maatregel van bestuur bepaalde kortingen in de in de algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen onverkort te worden toegepast. De algemene maatregel van bestuur biedt geen ruimte tot individuele afweging. (.) E‚n van de in het Besluit genoemde maatregelen waarvan het belang zo groot is dat de naleving wordt versterkt door de toepassing van een kortings- percentage, is het identificeren en registreren van de varkens. (.) Het voorgaande geldt eveneens voor het opleggen van een korting indien op het bedrijf varkens aanwezig zijn afkomstig van vier of meer verschillende bedrijven. Contacten tussen varkens van verschillende bedrijven is de belangrijkste besmettings- en verspreidingsbron van varkenspest. Met het opleggen van een korting wordt het verhoogde risico dat gepaard gaat met het aanvoeren van varkens van meer dan een bepaald aantal bedrijven, gedragen door degene die een dergelijk risico neemt. Hiermee wordt de varkenshouder gestimuleerd om van maximaal drie bedrijven varkens te betrekken. Evenredigheid van het kortingsregime. U acht de kortingen van 35-70%, zoals deze worden toegepast op grond van artikel 8 van het Besluit, onevenredig. U acht artikel 8 van het Besluit in strijd met hetgeen de formele wetgever in artikel 86 van de Wet heeft beoogd, nu de kortingsbepalingen ongenuanceerd en niet wezenlijk gedifferentieerd zouden zijn en een hardheidsclausule ontbreekt. Zoals hierboven reeds is uiteengezet zijn de desbetreffende kortingspercentages dwingend voorgeschreven in een algemene maatregel van bestuur. Het Besluit voorziet niet in de mogelijkheid daarvan af te wijken. Zoals gezegd, dienen de tegemoetkomingen in de schade overeenkomstig de percentages en de gevallen, die in artikel 8 van het Besluit zijn bepaald, te worden gekort. Gelet op het voorgaande zijn Uw verwijzingen naar de uitspraken niet relevant. De door U genoemde jurisprudentie heeft immers betrekking op kortingen die niet bij algemeen verbindend voorschrift waren geregeld. Overigens acht ik het desbetreffende kortingsregime niet onevenredig. Door middel van de kortingen dragen degenen, die door hun handelwijze extra risico veroorzaken met betrekking tot het verspreiden van dierziekten, zelf de consequenties. In artikel 8 van het Besluit wordt in het algemeen de korting hoger naarmate het risico met betrekking tot het verspreiden van dierziekten groter is door de desbetreffende handelwijze of bedrijfsomstandigheden. Zo houden de kortingen onder andere verband met de mate waarin het zogenaamde traceringsonderzoek wordt belemmerd. Evenmin valt in te zien dat het kortingsregime in strijd komt met hetgeen de wetgever in artikel 86 van de Wet heeft beoogd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het desbetreffende kortingsregime nagenoeg hetzelfde is als eerder was opgenomen in de Veewet zelf, en dat dit kortingsregime als voorloper op de bepaling onder de huidige Wet in de Veewet was opgenomen. De evenredigheid van het stelsel is derhalve destijds ook beoordeeld door de formele wetgever. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet blijkt niet dat de wetgever een wijziging ten opzichte van de destijds geldende Veewet heeft beoogd. Zoals uit het voorgaande moge blijken, is Uw stelling dat in de Veewet niet was voorzien in een korting op de tegemoetkoming feitelijk onjuist. Ik merk hier nog op dat het kortingsregime, zoals dat is neergelegd in het Besluit, de resultante is van een evaluatie van het onder de Veewet geldende kortingsregime. Deze evaluatie heeft slechts tot kleine aanpassingen geleid van hetgeen onder de Veewet geldend recht was. Bovendien is omtrent het kortingsregime overleg geweest met het georganiseerde bedrijfsleven. Kortingen indien op het bedrijf varkens van vier of meer bedrijven aanwezig zijn. Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit, wordt de tegemoetkoming in de schade (op grond van artikel 86) met 35% gekort, indien is geconstateerd dat op het bedrijf varkens van vier of meer bedrijven aanwezig zijn. Hierbij geldt op grond van artikel 8, tweede lid, van het Besluit, dat varkens waarvan de houder op eerste vordering van een aangewezen ambtenaar aantoont dat zij langer dan vier maanden ononderbroken op zijn bedrijf aanwezig zijn, buiten beschouwing worden gelaten. Varkens die langer dan 4 maanden op een bedrijf aanwezig zijn spelen geen rol bij de insleep van varkenspest op het bedrijf. Uit de toelichting op artikel 8, eerste lid, van het Besluit, blijkt dat de kortingsregeling zoals deze was opgenomen in de Veewet, is overgenomen. Dit omvat eveneens de hiervoor vermelde kortingsgrond, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit. Uit de Memorie van Toelichting en Memorie van Antwoord van de kortingsregeling in de Veewet (TK 1988-1989, 21 243, nrs 3 en 6) blijkt dat deze kortingsgrond is gebaseerd op de omstandigheid dat varkenspest met name door contacten tussen varkens van verschillende bedrijven verspreid wordt. Het risico op een mogelijke insleep van het varkenspestvirus op het bedrijf wordt groter naarmate er van meer bedrijven varkens worden betrokken. Indien een varkenshouder door van meer dan een bepaald aantal bedrijven varkens te betrekken, dit extra risico neemt met betrekking tot het uitbreken of verspreiden van dierziekten, wordt een deel van de gevolgen van de bestrijding van de dierziekte voor zijn rekening gebracht. Dit wordt gerealiseerd door het opleggen van een 35% korting op de schadeloosstelling. Deze maatregel heeft tevens een preventieve werking aangezien de varkenshouder hierdoor wordt gestimuleerd om zijn varkens te betrekken van een beperkt aantal bedrijven, te weten maximaal drie. Heeft een varkenshouder varkens op zijn bedrijf aanwezig afkomstig van vier of meer bedrijven dan wordt er een korting opgelegd. Het Besluit is naar aanleiding van de evaluatie van de kortingsregeling versoepeld. De evaluatie richtte zich op de praktische haalbaarheid van en de veterinaire risico's die zijn verbonden aan de criteria van de kortingsregeling. Werd onder de Veewet nog een korting opgelegd van 35% indien er op een bedrijf varkens aanwezig zijn van drie bedrijven of meer, waarbij varkens die langer dan zes maanden op het bedrijf aanwezig zijn buiten beschouwing worden gelaten; thans ligt de kortingsgrens bij vier of meer bedrijven en vier maanden. De wetgever heeft blijkens het voorgaande, derhalve zeer bewust de grens bij vier of meer gelegd. (.) Hetgeen de AID heeft geconstateerd met betrekking tot het te laat en het niet aanmelden, wordt door U betwist. U betwist dat U van vier bedrijven varkens heeft aangevoerd, gedurende de aan de verdachtverklaring voorafgaande vier maanden. U stelt dat U de AID gewezen heeft op het meer dan vier maanden aanwezig zijn van de varkens, zoals bedoeld op blz. 2, onder vraag 1, punt 5 van het AID-rapport op het bedrijf. Tevens heeft U de AID-ambtenaren gewezen op de in de stallen aanwezige kaarten met de daarop vermelde aanvoerdatum van 9 oktober 1996 van de desbetreffende varkens. Ten aanzien van Uw stelling merk ik het volgende op. Bij navraag van de AID-ambtenaren die Uw bedrijf hebben gecontroleerd in het kader van het Besluit, de heren A.H.J. Reijntjes en de heer P.F. van Buggenum, is mij het volgende gebleken. Beide AID-ambtenaren kunnen zich niet herinneren dat U zou hebben gewezen op het langer dan vier maanden aanwezig zijn van de mestvarkens. Tevens kunnen zij zich niet herinneren dat zij zouden zijn gewezen op de kaarten en de vermeende aanvoerdatum van 9 oktober 1997. Zij verklaarden dat U heeft gezegd dat U de mestbiggen van Uw andere bedrijf op de B1 heeft aangevoerd. Op Uw bedrijf op de B1 was plaatsgebrek en de biggen waren nog niet verkoopbaar. Derhalve heeft U de mestbiggen naar Uw bedrijf op de B2 vervoerd. Op het bedrijf op de B2 heeft U ze met een gewicht van ongeveer 25 kilo aangevoerd. Volgens de AID-ambtenaren ging het bij de mestvarkens, zoals bedoeld op blz. 2, onder vraag 1, punt 5, van het AID-rapport, om in totaal 15 mestvarkens. Zij hebben in totaal 3 mestvarkens aangetroffen van 40-50 kilo; 3 mestvarkens van 50-60 kilo, en 9 mestvarkens van ongeveer 70-80 kilo. Aangezien mestvarkens na vier maanden gemiddeld een gewicht hebben bereikt van 100-110 kilo, kan het feitelijk al niet zo zijn dat de mestvarkens langer dan vier maanden op het bedrijf aanwezig zouden zijn. Gelet op het vorenstaande acht ik Uw stelling dienaangaande dan ook feitelijk onjuist. Daarnaast heeft U aangevoerd dat U Uw andere bedrijf op de B1 slechts als een andere vestiging ziet en de twee vestigingen samen beschouwd als ‚‚n bedrijf. Om deze reden heeft U over het vervoer van de mestvarkens ook geen vervoersdocumenten opgemaakt noch heeft U het vervoer aangemeld bij het I&R bureau. Uw stelling treft geen doel. Het bedrijf op de B1 heeft immers een eigen UBN-nummer, zodat het voor een juiste registratie noodzakelijk is dat verplaatsingen van varkens tussen de beide bedrijven van een ververvoersdocument voorzien worden en gemeld worden aan het I & R- bureau. Juist omdat de bedrijven als afzonderlijke bedrijven zijn geregistreerd, waarbij de bedrijven niet als elkaars nevenvestigingen zijn geregistreerd, is het van belang dat onderlinge verplaatsingen op juiste wijze gemeld worden. Indien bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat er besmette varkens van bedrijf A daarvoor afkomstig waren van bedrijf B, is het mogelijk dat bedrijf B niet als eerste mogelijkheid van besmettingsbron wordt beschouwd, terwijl dat vanwege het transport tussen B en A wel zo zou zijn. Een goede tracering wordt derhalve gefrustreerd indien verplaatsingen tussen twee bedrijven met eigen UBN's niet worden gemeld. Het (voor zover mogelijk) hanteren van afzonderlijke UBN-nummers is overigens een keuze en verantwoordelijkheid van de ondernemer zelf. Ik merk in dit kader op dat U ter vergadering van de Commissie voor de bezwaarschriften heeft verklaard dat U van de GD heeft vernomen dat U voor de twee bedrijven ‚‚n UBN kon gebruiken. U heeft echter de twee nummers aangehouden omdat dit makkelijker was voor destructie. U heeft derhalve bewust gekozen voor het handhaven van twee afzonderlijke UBN-nummers voor zowel Uw bedrijf op de B2 als Uw bedrijf op de B1. Uw stelling dienaangaande acht ik derhalve ongegrond. U betwist niet dat de fokgelten afkomstig zijn van twee andere bedrijven en de fokbeer van een derde bedrijf. U stelt dat Uw bedrijf geen bedrijf is waar op grootschalige wijze contacten zijn met andere bedrijven. De aanvoer van de fokgelten en de fokbeer betreft volgens U slechts de onontkoombare instroom van nieuw bloed. Uw stelling treft geen doel. De door U aangevoerde omstandigheden doen niet af aan de reeds hierboven vermelde risico's die gepaard gaan met het hebben van varkens van meer dan drie bedrijven, ook indien het "slechts" ‚‚n fokbeer van ‚‚n bedrijf betreft. Ook deze fokbeer is een potenti‰le virusdrager en kan derhalve voor verspreiding van het varkenspestvirus zorgdragen. Uw stelling dienaangaande acht ik derhalve eveneens ongegrond. Omtrent Uw stelling dat bij de geautomatiseerde verwerking bij het I & R bureau iets fout is gegaan, merk ik op dat U slechts een vermoeden heeft dat de geautomatiseerde verwerking bij het I & R bureau niet juist is verlopen, doch dat Uw vermoeden op geen enkele wijze door U is onderbouwd. Ook overigens is mij niet gebleken dat het computersysteem niet naar behoren zou hebben gewerkt. Ik ga derhalve uit van het feit dat de transporten van 15-01-97, van 25-01-97 en van 04-02-97 te laat zijn gemeld en de transporten van 06-12-96, 19-12-96 en het(de) transport(en) van een aantal mestbiggen niet zijn gemeld. Aangezien U varkens afkomstig van vier bedrijven op Uw bedrijf aanwezig had, is op grond van artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit, terecht een korting van 35% toegepast op Uw tegemoetkoming in de schade. Aangezien U eveneens niet voldaan heeft aan artikel 9 van de Verordening van het Landbouwschap, is op grond van artikel 8, eerste lid, onder c, van het Besluit eveneens terecht een tweede korting van 35% toegepast op Uw tegemoetkoming in de schade. Op grond van artikel 8, derde lid, van het Besluit zijn de twee voormelde kortingen opgeteld tot een totaal kortingspercentage van 70%. Op grond van artikel 86, tweede lid, van de Wet, juncto artikel 8, eerste lid, onder c, van het Besluit worden kortingen toegepast op het gehele bedrag van de tegemoetkoming in de schade, derhalve ook op de tegemoetkoming in de schade aan producten en voorwerpen. Uw stelling dat ten onrechte een korting op laatstbedoelde tegemoetkoming is toegepast, is derhalve niet juist. U heeft gesteld dat in de beslissing betreffende de schadeloosstelling niet is gemotiveerd waarom er tweemaal een korting van 35% werd toegepast. Aangezien echter de kortingspercentages direct uit het Besluit voortvloeien, is een weergave van de door de AID geconstateerde tekortkomingen en een verwijzing naar de toepasselijke bepalingen, alsmede een weergave van het Besluit voldoende motivering van het toepassen van een korting van in totaal 70%. Uw stelling dat de korting van tweemaal 35% niet voldoende is gemotiveerd, acht ik niet gegrond. U acht een korting van tweemaal 35% onevenredig in verhouding tot de in Uw geval geconstateerde tekortkomingen, te weten het op het bedrijf aanwezig zijn van varkens afkomstig van vier andere bedrijven, het twee keer te laat melden van een partij varkens en het drie keer niet melden van een partij varkens. Met betrekking tot de evenredigheid van de toegepaste korting ten algemene merk ik het volgende op. Nadelige gevolgen van besluiten mogen, ingevolge het tweede lid van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Zoals reeds naar voren is gekomen, is het kortingsregime als zodanig niet onevenredig. Het cumulatief toepassen van meer kortingsgronden, zoals in Uw geval, is inherent aan dit systeem. Met betrekking tot de evenredigheid van de kortingsgrond, zoals bepaald in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit (varkens op het bedrijf afkomstig van vier of meer bedrijven), merk ik op dat de wetgever in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, zelf het aantal toeleverende bedrijven heeft bepaald waarbij een korting zal worden toegepast, namelijk bij vier of meer. Dit criterium is geobjectiveerd. Dit wil zeggen dat de subjectieve omstandigheden van het geval niet van belang zijn: maatgevend is slechts het feit ¢f er op het bedrijf varkens zijn afkomstig van vier of meer bedrijven. Is er derhalve sprake van een situatie waarin op een bedrijf varkens aanwezig zijn afkomstig van vier of meer andere bedrijven dan wordt de schadeloosstelling met 35% gekort. Aangezien echter in het geheel niet is voorzien in een hardheids- of overmachts-clausule, ben ik van mening dat, ondanks het feit dat de desbetreffende regelgeving dwingend voorschrijft dat een korting van 35% dient te worden toegepast indien varkens van vier of meer bedrijven op het bedrijf aanwezig zijn, door mij dient te worden bezien of de toepassing van de korting niet tot zodanige resultaten leidt dat gesproken moet worden van onevenredigheid in de toepassing van de op zichzelf niet onevenredige kortingsgrond, zoals gesteld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit. In Uw geval waren op Uw bedrijf varkens aanwezig afkomstig van vier andere bedrijven. Zoals uit het voorgaande blijkt, is aan het aanhouden van dit door de wetgever bepaalde aantal, geen onevenredigheid te ontlenen. Dermate bijzondere andere omstandigheden die eventueel de conclusie zouden rechtvaardigen dat in strijd met de eis van evenredigheid is gehandeld, zijn gesteld noch gebleken. Zoals hiervoor reeds uiteengezet kan de omstandigheid dat U Uw bedrijf op de B1 niet beschouwt als een ander (vierde) bedrijf en de omstandigheid dat U het bedrijf waarvan de fokbeer afkomstig is, eveneens niet beschouwt als een vierde bedrijf, aangezien het slechts ‚‚n fokbeer betreft, U niet baten. Ik ben dan ook van mening dat het toepassen van 35% korting op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, op de schadeloosstelling in Uw geval niet in strijd is met de eis van evenredigheid. Ik acht Uw stelling dienaangaande dan ook ongegrond. Met betrekking tot de kortingsgrond, zoals bepaald in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit merk ik het volgende op. Hiervoor is reeds het grote belang van een juiste I & R-registratie die up-to- date is, uiteengezet. Het is daarbij niet van belang dat U, ondanks het niet melden van mutaties, de herkomst van Uw varkens kunt aantonen. Melding op ‚‚n centraal punt is essentieel. (.) Indien er echter sprake is van ‚‚n fout of vergissing waardoor geen melding of een te late melding plaatsvindt, brengt de eis van evenredigheid met zich mee dat geen korting op de schadeloosstelling wordt toegepast. Gelet op de veel voorkomende praktijk dat men ‚‚n keer per week de administratie bijwerkt en daarbij de meldingen deed, leidt het evenredigheidsbeginsel er in de huidige situatie eveneens toe dat geen korting wordt toegepast indien de aanvoer van varkens later dan twee dagen maar binnen ‚‚n week na de aanvoer is gemeld. Wel dienen de vervoersdocumenten van de betreffende transporten in orde te zijn. In Uw geval is er niet sprake van ‚‚n fout, maar is driemaal de aanvoer van varkens niet gemeld en is eenmaal de aanvoer van varkens later dan zeven dagen gemeld. Ik ben dan ook van mening dat het toepassen van 35% korting op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit, op de schadeloosstelling in Uw geval niet in strijd is met de eis van evenredigheid. (.)" 4. Het standpunt van appellante 4.1 Appellante heeft in haar beroepschrift tegen het bestreden besluit een groot aantal grieven aangevoerd. Deze grieven hebben onder meer betrekking op procesrechtelijke aspecten van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aard, de uitleg van artikel 86, tweede lid, GWD juncto artikel 8, eerste lid, onder c, van het Besluit, het in verband daarmee toegepaste kortingsstelsel en de opvatting van verweerder over de toepassing van het evenredig- heidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel - dit laatste meer in het bijzonder in verband met het beleid van verweerder ten aanzien van preventief geruimde bedrijven - en de I&R- regeling. Deze grieven zijn naar inhoud en strekking dezelfde als de grieven welke zijn aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde uitspraak AWB 97/1599. Het desbetreffende beroepschrift - aan partijen bekend - is aan die uitspraak gehecht en maakt daarvan deel uit. Om die reden volstaat het College hier met verwijzing naar die uitspraak voor die grieven en blijft weergave daarvan in deze rubriek achterwege. 4.2 Met betrekking tot de verlaging van de tegemoetkoming in de schade van appellante met 70%, en meer in het bijzonder de beslissing van verweerder om toepassing te geven aan het bepaalde bij artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit en aan artikel 8, derde lid, van het Besluit heeft appellante het volgende, voorzover hier van belang, aangevoerd: " (.) Beweerdelijk zouden op het bedrijf varkens afkomstig zijn van 4 andere bedrijven. Appellant heeft dit gemotiveerd betwist; het ging hier om 9 biggen van het eigen bedrijf. De minister toetst feitelijk niet op evenredigheid; hij overweegt (blz 29) dat "moet worden bezien of de toepassing van de korting niet tot zodanige resultaten leidt dat gesproken moet worden van oneven- redigheid in de toepassing van de . kortingsgrond . in onderdeel a" maar doet daar vervolgens niets mee. Van enige wezenlijke evenredigheidstoetsing blijkt niets. Schaamteloos beweert de minister dat appellant geen bijzondere omstandigheden zou hebben gesteld. In dit verband zij opgemerkt dat verweerder niet consistent is in zijn redeneerwijze. Enerzijds lijkt hij toepassing te geven aan het beginsel van evenredigheid en anderzijds maakt hij inbreuk op dit beginsel. Zo stelt hij: "Uitgaande van de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de veehouders om besmetting en verspreiding van varkenspest te voorkomen, worden via de vastgestelde kortingspercentages de tegemoetkomingen in de schade gekort naar de mate waarin de bedrijfsomstandigheden en de bedrijfsvoering van de desbetreffende varkenshouder hebben bijgedragen aan een extra risico voor het verspreiden van de varkenspest. Tevens wordt met de kortingen voorkomen, dat een tegemoetkoming in de schade in zijn geheel dient te worden betaald aan ondernemers die in onvoldoende mate hun eigen verantwoordelijkheid hebben genomen". Even verder in het besluit stelt verweerder: "In artikel 8 van het Besluit wordt in het algemeen de korting hoger naarmate het risico met betrekking tot het verspreiden van dierziekten groter is door de desbetreffende handelwijze of bedrijfsomstandigheden. Zo houden de kortingen onder andere verband met de mate waarin het zogenaamde traceringsonderzoek wordt belemmerd." Verweerder kan toch moeilijk volhouden dat appellant door het begaan van de geconstateerde overtredingen heeft bijgedragen aan een extra risico voor verspreiding van de varkenspest. Appellant heeft immers, zoals reeds gesteld, voldaan aan nagenoeg alle voor hem geldende voorschriften om de gezondheid van de dieren op zijn bedrijf te waarborgen. Verder waren de varkens op de juiste wijze gemerkt en was het bedrijfsregister naar behoren bijgehouden. Het traceringsonderzoek werd door appellant dan ook niet belemmerd: Eventuele besmette dieren konden zonder problemen worden getraceerd. Overigens beperkt verweerder zich in deze tot een algemene stelling. Hij geeft op geen enkele wijze aan in hoeverre 'het laakbare handelen' van appellant heeft bijgedragen aan frustrering van het tracerings-onderzoek en aan een extra risico voor verspreiding van de varkenspest. Verweerder wordt dezerzijds verweten dat hij geen belangenafweging heeft gemaakt, geen evenredigheidstoets heeft toegepast en aan zijn besluit geen draagkrachtige motivering ten grondslag heeft gelegd." 5. De beoordeling 5.1 Appellante heeft in haar beroepschrift, naar aanleiding van hetgeen door verweerder in het bestreden besluit is overwogen over zijn bezwaren tegen gang van zaken bij de taxatie, geen nieuwe argumenten naar voren gebracht. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellantes bezwaren op dit punt ongegrond zijn. In verband met de ondertekening zijdens appellante van het taxatieformulier moet er van worden uitgegaan dat zij genoegen heeft genomen met de waardevaststelling. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan kan worden aangenomen dat degene die voor haar voor akkoord heeft getekend destijds niet bij machte was zijn wil te bepalen. 5.2 De grieven van algemene aard van appellante, welke samenhangen met haar stelling dat de in artikel 86, tweede lid, GWD neergelegde bevoegdheid tot verlaging van de tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, het opleggen van een punitieve sanctie betreft, verschillen inhoudelijk niet van grieven die in de hiervoor genoemde zaak 97/1599 zijn aangevoerd. Deze grieven zijn door het College in de uitspraak in genoemde zaak verworpen. Appellante heeft in haar beroepschrift en ter zitting gewezen op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 25 maart 1999, KB 1999, nr. 229 en ABRvS 15 april 1999, JB 1999, 150 en 151) en op een annotatie bij een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (JB 2000, nr. 144). In genoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waren aan de orde besluiten tot vermindering van de rijksvergoeding aan scholen wegens overtreding van de in de Tijdelijke wet arbeids-bemiddeling onderwijs (TWAO) neergelegde bepalingen. De Afdeling heeft, mede gelet op hetgeen in de stukken over de totstandkoming van die wet over het karakter van die vermindering is opgemerkt, bedoelde maatregelen als een punitieve sanctie aangemerkt. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat de onderhavige, in artikel 86, tweede lid, GWD voorziene verlaging van de tegemoetkoming in schade zozeer op ‚‚n lijn is te stellen met deze maatregelen op grond van de TWAO, dat zulks grond zou vormen voor een terugkomen van hetgeen onder meer in de zaak 97/1599 ter zake is overwogen. De annotatie bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, nr. 97/11938 AW, betreft een uitspraak, waarin die Raad, evenmin als de rechtbank in eerste aanleg, de weigering van WW-uitkering, op de grond dat appellante heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden dan wel door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen, als een "criminal charge" als bedoeld in artikel 6 van het EVRM heeft aangemerkt. In die annotatie ziet het College evenwel geen aanknopingspunt voor een ander oordeel, dan neergelegd in zijn uitspraak in de zaak 97/1599. Door appellante zijn geen nadere argumenten aangedragen voor zo'n ander oordeel. Ook de grieven van algemene aard, die appellante heeft aangevoerd inzake de verbindend- heid van artikel 8, eerste lid, van het Besluit en van de voorschriften waarnaar in die bepaling wordt verwezen, zijn in de meergenoemde zaak 97/1599 aan de orde geweest en zijn door het College verworpen. Daartoe wordt verwezen naar het overwogene onder 5.3.1 en - inzake de verbindendheid van de I&R-Verordening - naar het overwogene onder 5.3.2 van die uitspraak. Ditzelfde geldt voor het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat appellante heeft gedaan in verband met het feit dat verweerder bij de toepassing van de kortingsbevoegdheid een onderscheid heeft gemaakt tussen preventief en besmet geruimde bedrijven. Het College verwijst voor zijn overwegingen dienaangaande naar rubriek 5.5.1 en 5.5.2 van genoemde uitspraak. 5.3 Derhalve komt het College thans toe aan de bespreking van appellantes grieven die betrekking hebben op de uitvoering van de toepasselijke voorschriften in haar geval. Zoals ook is overwogen in onder meer de uitspraak in zaak 97/1599, ontbeert verweerder niet de bevoegdheid om per geval te overwegen of een bij en krachtens het bepaalde in artikel 86, tweede lid, GWD voorziene korting daadwerkelijk wordt opgelegd. Slechts de hoogte van de korting is door wet en Besluit sluitend vastgesteld. Ter mitigering heeft de wetgever, door de "kan-bepaling" van artikel 86, tweede lid, enige ruimte gelaten om wegens de bijzondere omstandigheden van het geval, van zo'n korting af te zien. Verweerder heeft, in weerwil van zijn stellingname in het bestreden besluit, bij het toepassen van het kortingsstelsel op de schade ten gevolge van de begin 1997 uitgebroken varkenspest wel degelijk, op onderdelen, een bepaald beleid gevoerd, zoals het beleid inzake het niet toepassen van het kortingsregiem in geval van preventieve ruiming en het beleid om bij het niet melden van mutaties in de varkensstapel in bepaalde gevallen af te zien van toepassing van de korting. Deze beleidskeuzen zijn in overeenstemming met het stelsel van de wet. 5.4.1 In genoemde uitspraak is onder 5.6 geoordeeld dat verweerders beleid inzake de toepassing van het kortingsstelsel ingeval van niet tijdige melding van de mutaties in de varkensstapel de rechterlijke toets kan doorstaan. Appellante heeft in haar beroep geen andere nieuwe argumenten ter ondersteuning van haar grieven tegen verweerders beleid ter zake aangevoerd. Het College ziet geen grond om van zijn oordeel terug te komen. Appellante heeft tegenover de argumenten van verweerder, op grond waarvan hij appellantes stellingen ten aanzien van de melding van de aanvoer van varkens heeft verworpen en zijn constatering in het bestreden besluit dat zij driemaal de aanvoer van varkens niet heeft gemeld en eenmaal een aanvoer later dan zeven dagen heeft gemeld, geen nadere feiten of argumenten aangedragen, die tot het oordeel kunnen leiden dat verweerders vaststelling van de feiten op dit punt geen stand houdt. Gelet op verweerders beleid om slechts in geval van een enkele fout en voorts bij melding binnen een week (in plaats van binnen twee dagen, zoals de I&R regeling voorschrijft) niet tot korting over te gaan, heeft verweerder, wanneer de toepassing van deze categorie op zichzelf wordt bezien, niet ten onrechte geconcludeerd dat in appellantes geval de in artikel 8, onder c, van het Besluit voorziene korting diende te worden toegepast. 5.4.2 De juistheid van verweerders constatering dat op appellantes bedrijf varkens, afkomstig van vier andere bedrijven, aanwezig waren heeft appellante in bezwaar betwist. Tegen hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen - op pagina 10 van deze uitspraak aangehaald - ter verwerping van appellantes stelling dat de van appellantes bedrijf aan de B1 afkomstige varkens, bedoeld op blz. 2, onder vraag 1, punt 5, van het AID-rapport, langer dan vier maanden op de locatie aan de B2 aanwezig waren, heeft appellante - ook ter zitting - geen nadere argumenten aangevoerd. Het College is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit op goede gronden de juistheid van appellants stelling op dit punt heeft verworpen en gaat derhalve voor de beoordeling van het geschil uit van de feiten zoals die door verweerder op dit punt zijn vastgesteld. 5.4.3 Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder terecht appellantes bedrijf op de Millseweg, dat een eigen UBN-nummer heeft, als een "ander" bedrijf in de zin van artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit heeft aangemerkt. Dienaangaande overweegt het College het volgende. 5.4.3.1 Het begrip bedrijf is in de GWD noch in het Besluit nader gedefinieerd, evenmin als in de I&R-verordening. Het UBN is, ingevolge het bepaalde in artikel 1, tweede lid, onder o, van genoemde verordening het Uniek Bedrijfsnummer, dat door de Stichting Gezondheidszorg voor dieren aan een vestiging wordt uitgegeven. Het begrip "vestiging" is in genoemde verordening wel gedefinieerd en wel als: het geheel van produktie-eenheden van een of meer landbouwondernemingen, dienende ter uitoefening van de varkenshouderij, bestaande uit een of meer gebouwen en de daarbij behorende landbouwgrond, of het gedeelte daarvan dat op grond van namens de Afdeling Varkenshouderij van het Landbouwschap door de Stichting Gezondheidszorg voor dieren te stellen regels als een afzonderlijke eenheid kan worden beschouwd. Blijkens de door verweerder bij zijn brief van 1 augustus 2000 gevoegde stukken heeft genoemde Stichting in de loop van 1995 een aantal regels gesteld voor het registreren van twee vestigingen van een bedrijf onder een UBN. Volgens die stukken zijn varkenshouders op diverse manieren op deze regels gewezen, onder meer via het informatieblad van de Stichting "Parels voor de zwijnen" van 9 december 1995 en het voorlichtingsboekje "1e fase I&R varkens" dat door de Stichting medio 1995 aan alle varkenshouders is toegezonden. In de folder en in genoemd informatieblad zijn de hiervoor bedoelde, gelet op de juridische grondslag en wijze van publiceren, als beleidsregels te kwalificeren regels om meerdere vestigingen onder een UBN te registreren als volgt samengevat: In principe heeft een bedrijf ‚‚n UBN. Indien een bedrijf meer vestigingen heeft zijn de voorwaarden voor toekenning van ‚‚n UBN: - de afstand van hoofdvestiging tot nevenvestiging is niet meer dan een kilometer (hemelsbreed); - elk van de vestigingen moet zijn voorzien van een omkleedruimte; - het vervoer tussen de vestigingen mag alleen met eigen transportmiddelen plaatsvinden; - de hoofdvestiging en de nevenvestiging behoren toe aan ‚‚n ondernemer; - aan de gehele vestiging mogen alleen (op)fokvarkens worden toegevoegd afkomstig van fok-en topfokbedrijven; - de hoofdvestiging en de nevenvestiging moeten zijn aangesloten bij dezelfde dieren- artspraktijk. In de brochure wordt voorts vermeld dat aan registratie van meer vestigingen onder een UBN ook nadelen zijn verbonden, onder meer omdat bij samenvoeging van meerdere vestigingen alle bedrijven van herkomst bij elkaar opgeteld moeten worden. Er wordt daarbij op gewezen dat hierdoor problemen kunnen ontstaan met de kortingsregeling in verband met de varkenspest, omdat voor hoofd-en nevenvestigingen samen een maximum geldt van drie herkomsten. 5.4.3.2Verweerder heeft in zijn brief van 1 augustus 2000 betoogd dat in veterinair opzicht geen enkel verschil is tussen 2 vestigingen met aparte UBN-nummers en twee verschillende bedrijven van verschillende eigenaars. Naar zijn mening moet het ervoor worden gehouden dat appellante, gelet op de gegeven informatie, precies op de hoogte was van de aan haar keuze om onder twee UBN-nummers te werken, verbonden rechtsgevolgen. 5.4.3.3Appellante heeft in haar reactie aangevoerd dat er een verschil is tussen UBN-nummers en bedrijven. Nergens blijkt uit dat appellante kan worden verweten dat zij varkens heeft aangevoerd van een vierde bedrijf. Appellante voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een UBN. Dan had zij geen meldplicht gehad bij verplaatsing van varkens van de ene locatie naar de andere. De verordening staat echter ook toe dat per vestiging een UBN geldt. Dat betekent dat verplaatsingen wel moeten worden gemeld, maar daaruit volgt niet dat het daarbij gaat om verplaatsing van het ene bedrijf naar het andere bedrijf in de zin van het Besluit. 5.4.3.4 Naar het oordeel van het College moet de betekenis van het begrip bedrijf in artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit, nu dat niet nader is gedefinieerd, worden uitgelegd mede tegen de achtergrond van de doelstelling van de onderhavige regelgeving. Ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit wordt een korting van 35% op de tegemoetkoming in de schade toegepast indien op een bedrijf varkens afkomstig zijn van meer dan vier bedrijven.Varkens die langer dan vier maanden op het bedrijf aanwezig zijn worden, ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Besluit, voor de toepassing van die bepaling buiten beschouwing gelaten. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat het risico op een mogelijke insleep van het varkenspestvirus op het bedrijf groter wordt naarmate er van meer dan een bepaald aantal bedrijven varkens worden betrokken. Gelet op dit juist te achten standpunt, dienen naar het oordeel van het College de afzonderlijke vestigingen van een onderneming, waarin het varkenshouderijbedrijf wordt uitgeoefend, in beginsel te worden aangemerkt als afzonderlijke bedrijven, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van het Besluit. Immers, het functioneren als afzonderlijke vestiging houdt redelijkerwijs gesproken in dat, onder meer als gevolg van andere aanvoer- en afvoeradressen van zo'n vestiging in vergelijking met de andere vestiging(en) van dezelfde onderneming, er wezenlijk grotere risico's van insleep van het varkenspestvirus bestaan. Het College herinnert in dit verband aan de hierboven als derde genoemde beleidsvoorwaarde voor toekenning van ‚‚n UBN voor meer vestigingen. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de regelgeving inzake de uitgifte van UBN-nummers, ziet het College voorts geen plaats voor het oordeel dat verweerder ten onrechte van beslissende betekenis acht voor de beantwoording van de vraag of een vestiging van een onderneming als een "ander bedrijf" in de zin van meergenoemd onderdeel a van artikel 8 moet worden aangemerkt, de omstandigheid dat die vestiging een eigen UBN-nummer heeft. 5.4.3.5 Verweerder heeft derhalve op goede grond beslist dat op appellantes bedrijf varkens, afkomstig van vier andere bedrijven, aanwezig waren. 5.5 Verweerder heeft vervolgens geoordeeld dat de korting van 35% terecht is toegepast in appellantes geval. Daartoe heeft hij overwogen dat de wetgever in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor de daarin voorziene verlaging van 35% de grens zeer bewust bij vier of meer bedrijven heeft gelegd. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder nog bezien of de toepassing van de korting tot zodanige resultaten leidt dat gesproken moet worden van onevenredigheid en overwogen dat niet van dermate bijzondere omstandigheden is gebleken dat een dergelijke conclusie gerechtvaardigd zou zijn. Dienaangaande overweegt het College het volgende Voor een bevestigend antwoord op de vraag of in casu sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, zou mogelijk plaats zijn indien de door appellante aangevoerde argumenten zouden kunnen leiden tot de conclusie dat appellante weliswaar ook varkens van haar vestiging (in casu aangemerkt als bedrijf) aan de B1 op haar bedrijf aan de B2 aanwezig had, maar dat daarmee de facto geen extra risico op insleep van varkenspestvirus ontstond. Daartoe overweegt het College meer in het bijzonder dat vaststaat, als in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheid, dat appellante, gelet op de door de Stichting gestelde criteria voor de uitgifte van UBN-nummers de mogelijkheid had om voor de beide locaties, B1 en B2, voor ‚‚n gezamenlijk UBN-nummer te kiezen. Dat zij niettemin een keuze heeft gemaakt voor twee UBN-nummers maakt evenwel, zoals hiervoor is overwogen, dat in beginsel bedoeld extra risico daarmee aanwezig moet worden geacht. Appellante heeft geen feiten of argumenten aangedragen die voldoende aanknopingspunt bieden voor het oordeel dat in feite van een dergelijk extra risico geen sprake kan zijn. Bij gebreke daaraan heeft verweerder een nadere motivering dat bedoeld risico ook in appellants geval aanwezig moet worden geacht, achterwege kunnen laten. 5.6 Op andere grond moet echter worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens het ontbreken van een draagkrachtige motivering. Daartoe overweegt het College als volgt. Indien de op dit punt bij appellante geconstateerde tekortkoming op zichzelf wordt bezien, zou verweerders beleid om van toepassing van de vermindering van 35% in de in meergenoemd artikel 8, eerste lid, onder a, bedoelde gevallen slechts af te zien indien van bijzondere omstandigheden is gebleken, niet rechtens onaanvaardbaar te achten zijn, en zou voorts zijn conclusie dat van zodanige bijzondere omstandigheden niet is gebleken, niet onjuist zijn te achten. Echter, verweerder heeft ten onrechte omtrent de vraag of het tweemaal toepassen van een korting van 35% niet onevenredig is in verhouding tot het daarmee nagestreefde doel volstaan met de stelling dat het cumulatief toepassen van meer kortingsgronden inherent is aan het door de wetgever gekozen systeem. Dit ontslaat verweerder evenwel niet van de verplichting om na te gaan of er gronden zijn om, indien zich, zoals hier aan de orde, een situatie voordoet dat het derde lid van artikel 8 van het Besluit in beginsel van toepassing is, ter vermijding van evenbedoelde onevenredigheid van de toepassing van een der onderdelen a of c van het eerste lid van genoemd artikel af te zien. De ruimte die artikel 86, tweede lid, aan verweerder biedt om een beleid dienaangaande te voeren, verplicht hem, zeker bij mogelijke cumulatie, een nadere afweging te maken omtrent de toepassing van - in casu - meergenoemd onderdeel a of c. Daartoe overweegt het College meer in het bijzonder het volgende. Zoals het College in zijn eerdere uitspraken over deze materie heeft overwogen, is de in het wettelijk systeem gekozen risicoverdeling het resultaat van een globale schatting van de risico's, die ontstaan in de onderscheiden gevallen, bedoeld in de onderdelen a. tot en met i. van artikel 8, eerste lid, van het Besluit. Bij het aldus gekozen systeem is aanvaardbaar te achten, dat binnen een bepaalde categorie, als bedoeld in onderdeel a tot en met i geen verdere differentiatie is aangebracht naar de mate waarin door de betrokken veehouder in afwijking van de in deze artikelonderdelen neergelegde normen is gehandeld. Daarom is het rechtens toelaatbaar geoordeeld, dat bijvoorbeeld de verlaging van de tegemoetkoming, voorzien in onderdeel c van het eerste lid van artikel 8 van het Besluit, bij het in verregaande mate niet voldoen aan de verplichting tot het melden van mutaties met eenzelfde percentage plaatsvindt als in de situatie dat het aantal niet-meldingen net valt binnen de door verweerder in zijn beleid geformuleerde minimum-norm. Gegeven de discretionaire bevoegdheid van verweerder ter zake, valt niet in te zien dat het hiervoor bedoelde wettelijk stelsel zich er tegen verzet dat, in geval van samenloop van twee of meer categorie‰n, als bedoeld in de onderdelen a tot en met i, verweerder bij de afweging of, gelet op de bijzonderheden van het geval, toepassing van de korting onevenredig is, de omstandigheid dat er volgens het per categorie ontwikkelde beleid in beginsel sprake is van de in het derde lid van artikel 8 bedoelde cumulatie, als zwaarwegende omstandigheid betrekt. Het College is voorts van oordeel dat, indien ingevolge het besluit de mogelijkheid van de toepassing van een gecumuleerde korting aan de orde is, verweerder in verband met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb dient na te gaan of de ernst van de risico's welke door de onderscheiden overtredingen in het leven worden geroepen, een dergelijke cumulatie kan rechtvaardigen, en dat verweerder bij een besluit, waarbij een gecumuleerde korting wordt opgelegd, een op de omstandigheden van het individuele geval toegesneden motivering geeft. Deze motivering ontbreekt in casu geheel. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven wegens strijd met het bepaalde bij artikel 7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb). 5.7 Ook op andere grond dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Daartoe overweegt het College het volgende. Wat betreft de totstandkoming van het bestreden besluit is namens appellante aangevoerd dat in strijd met het bepaalde in artikel 7:13, vijfde lid, Awb voor de behandeling van de zaak ter hoorzitting van de adviescommissie niet een vertegenwoordiger van verweerder is uitgenodigd om een toelichting te geven op diens standpunt. Verweerder heeft, zo is in eerdere zaken over dit onderwerp gebleken, nadat enige hoorzittingen in zaken als deze waren gehouden, te kennen heeft gegeven dat de aanwezigheid van een vertegenwoordiger zijnerzijds als regel niet meer zinvol werd geacht, nu de commissie over zijn standpunt voldoende was voorgelicht. Hierop heeft de commissie nog slechts een uitnodiging aan verweerder doen uitgaan indien de bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding gaven. Met appellante is het College van oordeel dat die gedragslijn niet strookt met het in genoemd artikellid neergelegde vormvoorschrift en dat de commissie aldus zichzelf en de indiener van het bezwaar de mogelijkheid heeft onthouden om op de hoorzitting een op de zaak toegespitste mondelinge reactie van verweerder op het bezwaarschrift te vernemen. Gelet op het onder 5.6 overwogene ziet het College, anders dan in, onder meer, zijn genoemde uitspraak 97/1599, geen plaats voor het oordeel dat in dit geval met toepassing van artikel 6:22 Awb vernietiging van het bestreden besluit op deze grond achterwege kan worden gelaten. 5.8 Het beroep van appellante is dus gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, met bepaling dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Tevens acht het College termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder, met toepassing van artikel 8:75 Awb, in de kosten van appellante, voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welke op de voet van het bepaalde bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op (2,5 punten ad fl. 710,-- (indienen van een beroepschrift, zitting, schriftelijke uiteenzetting) maal (wegingsfactor: zwaar) 1,5 =:) fl. 2662,50. Het vorenstaande leidt tot het volgende dictum. 6. De beslissing Het College: - verklaart het beroep van appellante gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene; - verstaat dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 420,-- (zegge: vierhonderdtwintig gulden) wordt vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante welke worden vastgesteld op fl. 2662,50 (zegge: zesentwintighonderdtwee‰nzestig gulden en 50 cent); - wijst de Staat aan als de rechtspersoon die genoemde kosten moet vergoeden; - wijst af het anders of meer gevorderde. Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr M. Vlasblom, in tegenwoordigheid van mr M.M. Smorenburg, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2001. w.g. B. Verwayen de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen