
Jurisprudentie
AB0034
Datum uitspraak2001-02-09
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers50197 KG ZA 01-20
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers50197 KG ZA 01-20
Statusgepubliceerd
Uitspraak
VONNIS KORT GEDING
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN
DE PRESIDENT IN KORT GEDING
Reg.nr.: 50197 KG ZA 01-20
V O N N I S
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser],
eiser,
procureur mr. J.J. van der Molen,
en
de naamloze vennootschap AEGON Schadeverzekering NV,
gevestigd en kantoorhoudend te 's-Gravenhage,
gedaagde,
procureur mr. H.E.M. Hulleman,
advocaat mr. M. Eijkelenboom.
PROCESVERLOOP
Eiser heeft gedaagde doen dagvaarden in kort geding.
De vordering strekt ertoe gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser als voorschot op zijn schade terzake het in het lichaam van de dagvaarding vermelde verschuldigd, binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis aan eiser te betalen een bedrag van
f 141.127,06.
Op de voor de behandeling bepaalde dag, 2 februari 2001, is eiser verschenen, vergezeld van de procureur mr. Van der Molen.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door de procureur mr. Eijkelenboom.
Eiser heeft conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij hij producties in het geding heeft gebracht. Ter gelegenheid van de zitting heeft eiser zijn vordering vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten terzake van door de raadsman van eiser voor eiser verrichte werkzaamheden van 16 februari 2000 tot 30 november 2000 ten bedrage van f 5.736,75.
Gedaagde heeft verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd eiser niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van eiser in de kosten van de procedure.
Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en pleitnotities overgelegd.
Partijen hebben ten slotte vonnis gevraagd.
De uitspraak is bepaald op 8 februari 2001.
RECHTSOVERWEGINGEN
Vaststaande feiten:
Eiser is op 15 oktober 1996 te Groningen als motorrijlesser van Oosterpoort Verkeersscholen te Groningen aangereden door de motorrij-instructeur van Oosterpoort Verkeersscholen die in een personenauto achter eiser reed.
Toen eiser met zijn motorfiets voor een zebrapad waar een voetganger overstak, moest stoppen, reed de rij-instructeur met zijn auto achterop de motorfiets van eiser, waarna eiser via de voorruit van de lesauto en de motorkap op het wegdek terechtkwam.
Na dat ongeval heeft eiser ernstige klachten van medische aard gekregen, welke overeenkomen met die welke passen bij het post-whiplash-syndroom. Die klachten bestaan onder meer uit hoofdpijn, nekpijn, duizeligheid, concentratiestoornissen, tintelende vingers, een raar gevoel in de benen, stijfheid na een nacht slapen. De klachten hebben geleid tot ernstige beperkingen in het dagelijks leven.
Ten tijde van het ongeval was eiser vertegenwoordiger/verkoper bij Exakta Benelux B.V. te Winterswijk. Tevens was eiser zelfstandig ondernemer als MILO-franchisenemer te Groningen.
Beoordeling van het geschil:
Kernpunt van geschil is of er sprake is van medische causaliteit tussen het ongeval van 15 oktober 1996 en de klachten en arbeidsongeschiktheid van eiser.
In gevallen als het onderhavige heeft als uitgangspunt te gelden dat, indien door een ongeval zoals dat eiser is overkomen, een risico terzake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen het ongeval en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven, waarbij het aan gedaagde is om te stellen en - zonodig - te bewijzen dat de gestelde schade ook zonder het ongeval zou zijn ontstaan.
Vertrekpunt daarbij is dat alle uit de schending van de veiligheidsnorm voortvloeiende schade, derhalve ook de schade die zich in de causale keten op grotere afstand bevindt van het schadeveroorzakende feit en/of buiten de normale lijn der verwachtingen ligt, voor vergoeding in aanmerking komt en dat de dader het slachtoffer moet nemen zoals hij/zij hem aantreft.
Gelet op de door eiser overgelegde producties waarin de medische situatie aan de orde is gekomen en waarbij ook aandacht is gegeven aan het mogelijk causaal verband tussen het ongeval en de klachten van eiser, is de president, met inachtneming van vorenstaand uitgangspunt, voorshands van oordeel dat de klachten c.q. de arbeidsongeschiktheid van eiser het gevolg zijn van het ongeval van 15 oktober 1996.
In dit verband acht de president in het bijzonder van belang het door eiser als productie 1 overgelegde expertise-rapport van de neuroloog E.R.P. Brunt die na een onderzoek van eiser op 30 juli 1998 tot de conclusie kwam dat de toenmalige toestand van eiser, zoals omschreven in dat rapport, als een rechtstreeks en uitsluitend gevolg van het ongeval wordt beschouwd. Bovendien acht de president daarbij van belang dat de verzekeringsarts van het GAK twee maal, op 18 augustus 1997 en op 2 oktober 1998 concludeert dat er sprake is van een beperking van de belastbaarheid als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat aan de zijde van Aegon twijfel bestaat aan een medisch causaal verband zoals hierbedoeld, heeft gedaagde aangevoerd dat zij de aan haar door eiser toegezonden medische stukken, die eveneens in dit kort geding zijn overgelegd, aan de medisch adviseur heeft voorgelegd en dat op grond van die stukken vraagtekens bij het causaal verband kunnen worden geplaatst.
Nu onvoldoende is geadstrueerd welke overwegingen ten grondslag hebben gelegen aan bedoelde vraagtekens, waardoor beoordeling daarvan niet mogelijk is, zal de president aan die stelling voorbijgaan.
Ter adstructie van haar stelling dat er wellicht geen causaal verband in de hierbedoelde zin is, heeft gedaagde verder aangevoerd dat blijkens de overgelegde patiëntenkaart van de huisarts van eiser, eiser in mei 1996 twee maal heeft geklaagd over duizeligheid. Nu niet is gebleken dat die klachten vóór het ongeval zijn teruggekeerd, acht de president die klachten voor de onderhavige beoordeling niet van overwegend belang, ook in het licht van de vaststaande ernst van de huidige klachten van na het ongeval, waarbij duizeligheid slechts één van de factoren is.
In dit verband alsook meer in het algemeen zij overwogen dat de president een nader medisch onderzoek alleszins geïndiceerd acht voor de definitieve bedoordeling van het bedoelde causaal verband. Daarbij dienen eventuele pre-existente klachten uiteraard ook te worden meegewogen.
Voor de onderhavige beoordeling acht de president, zoals vorenoverwogen, voldoende causaal verband aannemelijk geworden, zodat de president voorshands van oordeel is dat een nader voorschot op de later vast te stellen schadevergoeding gerechtvaardigd is.
Terzake van het gevraagde voorschot overweegt de president het volgende.
Vaststaat dat eiser volledig arbeidsongeschikt is, zodat hij in de periode vanaf het ongeval van 15 oktober 1996 afhankelijk is geweest van een ZW- en WAO-uitkerig.
Vaststaat verder dat eiser bij zijn werkgever Exakta als verkoper laatstelijk f 3.000,-- verdiende en dat hij daarnaast regelmatig provisies ontving. De president acht niet onaannemelijk dat het inkomen van eiser daarbij, mede zijn leeftijd in ogenschouw genomen, in de eerstkomende jaren een stijgende lijn had laten zien, hetgeen wordt bevestigd door de door eiser voor het voetlicht gebrachte gegevens van enige met eiser vergelijkbare maatmannen, welke gegevens niet onaannemelijk voorkomen.
Gelet daarop is de president voorshands van oordeel dat het uitgangspunt van het Nederlands Rekencentrum Letselschade dat eiser zonder ongeval een bruto jaarloon (incl. vakantiegeld en provisie) van f 70.000 bruto zou hebben genoten, niet onaannemelijk.
Het door het NRL berekende verlies verdienvermogen zal dan ook worden gevolgd, waarbij de president overweegt dat niet gebleken is op welke wijze eiser tot een bedrag van f 38.000,-- voor het jaar 2000 komt. Dat bedrag wordt bepaald op f 20.000,--, hetgeen in vergelijking met voorgaande jaren zeker niet te hoog voorkomt.
Met de door het NRL opgevoerde schade vanwege gemis privégebruik lease-auto zal de president geen rekening houden, nu niet nader kon worden toegelicht welke grondslagen bij de berekening van die schade worden gebruikt.
Daarenboven is de president voorshands van oordeel dat, gelet op de ernst van de klachten van eiser en het naar voorlopig oordeel aanwezige causaal verband, aan immateriële schade een bedrag van f 10.000,-- in ieder geval toewijsbaar is.
Afweging van de belangen van partijen, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot het oordeel dat de vordering van eiser in dit kort geding dient te worden toegewezen tot een bedrag van (afgerond)
f 100.000,--. Mede omdat dit een voorschot op de gehele schadevergoeding betreft, vindt geen uitsplitsing van de diverse schadeposten plaats en wordt geen rekening gehouden met enige plus- en minpunten, zoals het exacte bedrag aan buitengerechtelijke kosten of de door gedaagde reeds verstrekte voorschotten.
Ervan uitgaande dat binnenkort al dan niet door middel van een bodemprocedure een aanvang zal worden gemaakt met het (doen) vaststellen van de definitieve schadevergoeding, moet eiser met het te bepalen voorschot voorshands in zijn levensonderhoud kunnen voorzien, terwijl het restitutierisico -mede gelet op de omstandigheid dat de president de kans niet waarschijnlijk acht dat de bodemrechter, alle schadeposten integraal in acht nemend, een lager bedrag zal toekennen- gering wordt geacht.
Gedaagde heeft gesteld dat zij niet zonder meer kan betalen in verband met de door eiser aan een derde gegeven pand op de vordering die eiser op gedaagde heeft, zodat gedaagde bij betaling aan eiser het risico loopt voor hetzelfde bedrag door de pandnemer te worden aangesproken.
De president overweegt te dien aanzien dat niet is gebleken dat de door gedaagde overgelegde pandakte een authentieke danwel een geregistreerde onderhandse akte betreft, zodat het pandrecht naar voorlopig oordeel niet rechtsgeldig is gevestigd. Dat brengt met zich mee dat gedaagde zonder het door haar gevreesde risico aan eiser kan betalen.
Gezien vorenoverwogene wordt de gevraagde voorziening in na te melden zin toegewezen.
Gedaagde wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure verwezen.
BESLISSING
De president:
1. veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser als voorschot op zijn schade terzake het in het lichaam van de dagvaarding vermelde verschuldigd, binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis aan eiser te betalen een bedrag van f 100.000,-;
2. veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van eiser begroot op ¦ 2.860,03 aan verschotten en op ¦ 1.550,-- aan salaris van de procureur;
3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Duitemeijer, president en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.