
Jurisprudentie
AB0021
Datum uitspraak2000-11-15
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers425-H-00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers425-H-00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 15 november 2000
Rek.nummer : 425-H-00
Rek.nr rb. : 99-8430
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam moeder],
wonende te [woonplaats moeder],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. J.M. Wigman,
tegen
[naam vader],
wonende te [woonplaats vader],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. Th. Scholtus.
HET GEDING
De ouders hebben met elkaar een relatie gehad, waaruit op 18 september 1995 [het kind1] is geboren, die door de vader is erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [het kind1].
Bij beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 21 januari 1997 is de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 februari 1996 bepaald op ƒ 1.000,- per maand. Die uitspraak is bij beschikking van dit hof van 18 juli 1997 vernietigd voor zover het de kinderalimentatie vanaf 1 augustus 1997 betreft, welke toen door het hof is bepaald op ƒ 850,- per maand, met bekrachtiging van de bestreden beschikking tot die datum.
Bij verzoekschrift van 28 december 1999 heeft de vader de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht - met wijziging van de beschikking van dit hof van 18 juli 1997 - de kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 1999, althans per datum indiening verzoekschrift dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, te bepalen op ƒ 310,- per maand, althans op een zodanig lager bedrag als de rechtbank juist acht. De rechtbank heeft bij beschikking van 11 april 2000 de kinderalimentatie bepaald op f. 310,- per maand met ingang van 1 oktober 1999.
De moeder is van de beschikking van 11 april 2000 op 13 juni 2000, daags na Pinksteren, in hoger beroep geko-men en heeft ver-zocht deze te vernietigen voor zover het de hoogte van de vastgestelde kinderalimentatie betreft en deze te bepalen op een nog nader bekend te maken bedrag per maand, althans te bepalen op een bedrag dat het hof vermeent te behoren.
De vader heeft een verweerschrift inge-diend waarin hij verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel dit af te wijzen en de uitspraak van de rechtbank te bekrachtigen, zonodig met verbetering en aanvulling van gronden.
Bij brief van 3 oktober 2000 heeft de procureur van de moeder stukken aan het hof doen toekomen.
Op 13 oktober 2000 is de zaak mondeling behandeld. Daar heeft de vrouw de maandelijkse kosten voor [het kind1] gesteld op ƒ 1.525 tot 15 augustus 2000, vervolgens op ƒ 1.393 tot 1 oktober 2000, vervolgens op ƒ 1.387 tot 1 januari 2001 en op ƒ 1.572 daarna, met het voorstel deze kosten te delen naar evenredigheid van draagkracht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. Met betrekking tot de door de vader gestelde niet-ontvankelijkheid van de moeder merkt het hof op dat een partij een verzuim uit de eerste aanleg, zoals in casu het overleggen van financiële gegevens, in hoger beroep mag herstellen. Het hof zal de moeder dan ook ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep.
2. De behoefte van [het kind1] aan alimentatie staat als niet bestreden vast. De omvang van de behoefte houdt de partijen verdeeld. Vaststaat dat het gezamenlijke inkomen van de ouders tijdens het uiteengaan meer dan ƒ 5.000,- netto per maand bedroeg.
3. De vader is op 19 maart 1998 getrouwd. Uit dit huwelijk is op 27 april 1999 een zoon geboren. Omdat de echtgenote van de vader in eigen levensonderhoud voorziet zal het hof de vader als alleenstaande ouder aanmerken en de woonlasten delen. Sedert 16 mei 1999 werkt de vader, die tevoren een eigen bedrijf had, als projectontwikkelaar maatschappelijk herstel 28 uur per week in loondienst bij [naam werkgever vader]. Hij verdient daar circa ƒ 4.200,- netto per maand, inclusief vakantiegeld. Hij heeft geen neveninkomsten.
4. De moeder, alleenstaand, heeft tot 1 mei 1999 in loondienst gewerkt en werkt thans als zelfstandige arbo-arts. Zij heeft de zorg over haar kinderen [naam kind], geboren op 25 april 1992, [het kind1] en een wiegekind, geboren op 25 augustus 2000. Blijkens de aan het hof overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 1999 bedroeg de winst uit haar onderneming over de periode van 16 mei 1999 tot 31 december 1999 ƒ 172.720,-. Het daaruit voortvloeiende netto inkomen bedroeg circa ƒ 11.800,- per maand.
5. Van oktober 1999 tot op heden bedroegen de gemiddelde kosten van opvang ten behoeve van [het kind1] circa ƒ 500,- per maand. De moeder is voornemens om vanaf 1 januari 2001 weer 5 dagen per week te werken, hetgeen met zich meebrengt dat de kosten van opvang ten behoeve van [het kind1] vanaf die datum in totaal circa ƒ 780,- per maand zullen bedragen.
6. Ten aanzien van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van verzorging van [het kind1] neemt het hof als uitgangspunt de beschikking van dit hof van 18 juli 1997. Het stelt de basisbehoefte van [het kind1], in aanmerking nemende de indexeringen sedert die datum, vast op ƒ 600 per maand. Bij dit eigen aandeel komt de premie ziektekostenverzekering ten behoeve van [het kind1] van ƒ 90 per maand. Het hof gaat uit van het netto inkomen van de moeder van ƒ 11.800 per maand, verminderd met de door de moeder opgevoerde oppaskosten, omdat het hof die kosten in redelijkheid als werkelijke verwervingskosten beschouwt. Voorts merkt het hof op dat de vader slechts alimentatieplichtig is ten aanzien van [het kind1], omdat hij niet de vader van [naam kind2] noch van het jongste kind van de moeder is.
7. De ouders dienen naar rato van ieders draagkracht bij te dragen in de kosten van [het kind1]. Gelet op de verhouding van de wederzijdse inkomens en de draagkracht van de partijen acht het hof de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van ƒ 310,- in overeen-stem-ming met de wettelijke maatstaven, waarbij het hof opmerkt dat van de ouder die het kind niet zelf verzorgt iets meer dan een evenredige bijdrage mag worden verwacht. Om deze reden moet de bestreden uitspraak worden bekrachtigd. Het hof laat, afgezien van de opvangkosten, hierbij de maandelijkse lasten van de partijen, al dan niet betwist, buiten beschouwing, omdat daarbij geen onvermijdelijke hoge lasten zijn en de lasten dus kunnen en zo nodig moeten worden aangepast aan de noodzakelijke uitgaven voor [het kind1]; in de gegeven omstandigheden moet de draagkracht worden afgeleid van het netto inkomen onder aftrek van de bijstandsnorm.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Koning, Van den Wildenberg en De Bruijn-Lückers, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitge-sproken ter openbare terechtzit-ting van 15 november 2000.