
Jurisprudentie
AB0016
Datum uitspraak2000-12-08
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001540/1
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200001540/1
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad
Van State
200001540/1.
Datum uitspraak: 8 december 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 23 maart 2000 in het geding tussen:
appellant
en
het College van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht.
1 Procesverloop
Bij brief van 20 oktober 1999 heeft de Examencommissie van de Faculteit [faculteit] van de Universiteit Maastricht aan appellant onder meer medegedeeld dat voor de studie [studie] een afstudeerscriptie dient te worden geschreven.
Bij besluit van 14 december 1999, verzonden op 27 januari 2000, heeft het College van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht (hierna: het College van beroep) het daartegen door appellant ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 23 maart 2000, verzonden op die dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Roermond (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 maart 2000, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 6 juni 2000 heeft het College van beroep een memorie van antwoord ingediend.
Bij brief van 3 oktober 2000 heeft appellant een memorie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2000. Partijen hebben zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.
2. Overwegingen
2.1. Bij brief van 3 oktober 2000 heeft appellant bericht dat hij de studie waarop het geschil omtrent de afstudeerscriptie betrekking heeft inmiddels heeft afgerond en dat het Examenreglement [studie] is aangepast, zodat het geschil thans een principezaak betreft. Evenals in het hoger beroepschrift heeft appellant verzocht te gelasten dat het door hem voor de beroepsprocedure en de voorlopige voorziening bij de rechtbank en de Afdeling betaalde griffierecht, wordt vergoed.
2.1.1. Gelet op het gestelde in de brief is de Afdeling van oordeel dat appellant geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een uitspraak op het hoger beroep. Immers, in het kader van de Algemene wet bestuursrecht is de administratieve rechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen als sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Indien een dergelijk geschil niet langer bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiƫle betekenis daarvan.
2.1.2. Het door appellant in genoemde brief eveneens gedane verzoek te beslissen, dat het College van beroep de griffiekosten van de beroepsprocedure bij de Afdeling aan hem dient te vergoeden, maakt dit niet anders. De Wet op de Raad van State stelt niet als eis dat het bestuursorgaan dat gelast wordt het betaalde griffierecht terug te betalen in het ongelijk wordt gesteld. Nu de grond voor het ontvallen van procesbelang niet is gelegen in een tegemoetkomen door het bestuursorgaan maar in de enkele omstandigheid dat appellant zijn studie inmiddels heeft afgerond, bestaat er geen aanleiding het College van beroep te gelasten het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.
2.1.3. De omstandigheid dat appellant tevens verzoekt te beslissen dat het College van beroep het bij de rechtbank betaalde griffierecht aan hem vergoedt, levert evenmin een rechtens te beschermen belang op bij een uitspraak op het hoger beroep. Immers, indien het hoger beroep in verband daarmee ontvankelijk zou dienen te worden geacht en de rechtbankuitspraak zou worden vernietigd, zou de Afdeling - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het inleidende beroep bij de rechtbank niet-ontvankelijk moeten verklaren, aangezien appellant - gelet op het onder 2. 1. 1. overwogene - geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een uitspraak op het door hem ingestelde beroep en er ook overigens geen aanleiding zou zijn geweest het College van beroep te gelasten aan appellant het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
2.2. Het oordeel of het door appellant voor de behandeling van het verzoek tot het hangende het hoger beroep treffen van een voorlopige voorziening betaalde griffierecht door het College van beroep aan hem moet worden vergoed, is voorbehouden aan de Voorzitter. Tegen de uitspraak van de Voorzitter staat geen hogere voorziening open. De Afdeling is in zoverre dan ook onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
2.3. Voorzover appellant in hoger beroep opkomt tegen de - impliciete - weigering van de president te gelasten dat het voor de voorlopige voorziening-procedure betaalde griffierecht wordt vergoed, is de Afdeling eveneens onbevoegd daarvan kennis te nemen, nu tegen beslissingen van de president op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 37, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep openstaat.
2.4. Voorzover de Afdeling bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen, voorzover het verband houdt met het door appellant voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening bij de Afdeling en de rechtbank betaalde griffierecht;
II. verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Meer w.g. Van Loon
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2000
284. Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,