Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0011

Datum uitspraak2000-10-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
ZaaknummersE03.98.1303
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State E03.98.1303 Datum uitspraak: 24 oktober 2000 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid '[appellant] B.V.", gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek, verweerder. 1 . Procesverloop Bij besluit van 21 juli 1998, kenmerk 301392, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een enveloppenfabriek op het perceel [adres] te [vestigingsplaats]. Dit aangehechte besluit is op 12 augustus 1998 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 september 1998, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 1998, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 22 februari 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. K. Schrijvers, advocaat te Amsterdam, en B. Burger, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W.A.M. van Mil, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts heeft A. van Daalen namens de brandweer het woord gevoerd. 2. Overwegingen 2.1. De inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend, omvat een kantoor, productieruimten, opslagruimten, voorbereidingsruimten en een technische werkplaats. Deze ruimten vormen gezamenlijk een grote ruimte met een vloeroppervlak van ongeveer 8250 M2 zonder brandwerende wanden. In deze grote ruimte bevinden zich tevens nog enkele verdiepingen met kantoren, opslagruimten en een werkplaats voor kleinschalige houtbewerking. De dichtstbijzijnde woningen van derden zijn op een afstand van acht meter van de inrichting gelegen. 2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, moeten aan de vergunning de voorschriften worden verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen uit de meest recente algemeen aanvaarde miiieutechnische inzichten voortvloeit. 2.3. Appellante betoogt dat verweerder in het bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan het rapport van een in haar opdracht uitgevoerd onderzoek van Arcadis, gedateerd 2 september 1998, en dat hij onvoldoende is ingegaan op haar beroep op het in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer opgenomen redelijkheidscriterium. 2.3.1 In de considerans van het bestreden besluit is verweerder, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht, ingegaan op de door appellante ingebrachte bedenkingen, waaronder de bedenking dat een sprinklerinstallatie in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Dat bij de behandeling van de bedenkingen geen aandacht is besteed aan genoemd rapport van Arcadis kan verweerder niet worden tegengeworpen, nu dit rapport eerst na het nemen van het bestreden besluit is tot stand gekomen, en ook het concept van dit rapport geruime tijd na het verstrijken van de termijn voor het indienen van bedenkingen aan verweerder is toegezonden. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel. 2.4. Appellante kan zich blijkens haar beroepschrift niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften 1.4.1 tot en met 1.4.4. Zij is van mening dat een sprinklerinstallatie niet nodig is ter bescherming van het milieu en verwijst hiertoe naar genoemd rapport van Arcadis, waaruit blijkt dat ook kan worden volstaan, met minder verstrekkende maatregelen, zoals compartimentering. In dit verband merkt zij verder op dat in de algemene maatregelen van bestuur ex artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zoals het Besluit opslag goederen milieubeheer en het Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer, de aanwezigheid van een sprinklerinstallatie niet verplicht is gesteld. Appellante betoogt verder dat haar financiële draagkracht, zoals die blijkt uit de aan haar bedenkingen gehechte geconsolideerde jaarrekeningen van [moedermaatschappij] Group B.V., waarvan zij deel uitmaakt, het realiseren van een sprinklerinstallatie niet toestaat. Zij is van mening dat redelijkerwijs van haar niet kan worden gevergd op een termijn van twee jaar een sprinklerinstallatie te installeren. Ten slotte wijst zij er nog op dat de inrichting zeer gevoelig is voor water/blusmiddelen en dat ook om die reden naar alternatieve maatregelen moet worden gezocht. 2.4.1. Niet in geschil is dat in het belang van de bescherming van het milieu in de vergunning voor de enveloppenfabriek van appellante voorschriften ten aanzien van brandpreventie moeten worden opgenomen. Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van een sprinklerinstallatie, zoals voorgeschreven in voorschrift 1.4.1, nodig is ter bescherming van het milieu, en of de in dit voorschrift hiervoor gestelde termijn van twee jaar aanvaardbaar is. 2.4.2. In voorschrift 1.4.1 is bepaald, voorzover te dezen van belang, dat uiterlijk twee jaar na het van kracht worden van deze vergunning in de inrichting een sprinklerinstallatie aanwezig moet zijn, behoudens in de kantoorruimten/kantine, de kluis, de overtap- en ompakruimte, de papierrollenopslag, de rommyloodsen (lees: romneyloodsen) en andere ruimten die door een scheidingsconstructie met een WQDBO van ten minste 60 minuten van de grote productieruimte en naastgelegen grote opslagruimte voor gereed product afgescheiden zijn. 2.4.3. Verweerder acht in het onderhavige geval, rekening houdend met de afstand van de inrichting tot woningen van derden en de ouderdom van het pand waarin de inrichting is gevestigd, een sprinklerinstallatie en/of compartimentering noodzakelijk. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op het advies van de brandweer, waaruit volgt dat in de huidige situatie een eventueel ontstane brand door de grootte van de aaneengesloten ruimte als niet beheersbaar kan worden beschouwd, waardoor brandoverslag en -doorslag naar nabij gelegen en/of belendende panden niet kan worden voorkomen. 2.4.4. Blijkens de na afloop van het vooronderzoek ingekomen stukken heeft appellante op 27 april 1999 overeenkomstig vergunningvoorschrift 1.4.4 een zogenoemd plan van aanpak aan verweerder toegezonden, dat inmiddels is goedgekeurd. Uit dit plan van aanpak blijkt dat bouwkundige compartimentering van de inrichting, waaraan appellante na het verschijnen van het rapport van Arcadis, gedateerd 2 september 1998, nog de voorkeur gaf, uit oogpunt van logistiek en bedrijfsvoering niet mogelijk wordt geacht en dat een automatische sprinklerinstallatie zal worden aangelegd. Ter zitting is dit desgevraagd door appellante bevestigd. Gelet op het uitdrukkelijke advies van de brandweer en in aanmerking genomen dat het rapport van Arcadis eerst na het nemen van het bestreden besluit is verschenen en dat appellante reeds eerder in het kader van de vergunningprocedure aan verweerder te kennen heeft gegeven wegens logistieke redenen niet te kunnen voldoen aan een voorschrift waarin compartimentering wordt geëist, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een sprinklerinstallatie - behoudens in enkele in voorschrift 1.4.1 specifiek genoemde ruimten - nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Uit het nader toegezonden plan van aanpak blijkt overigens dat appellante thans ook de voorkeur geeft aan een automatische sprinklerinstallatie. Wat betreft de stelling van appellante dat vanwege haar beperkte financiële draagkracht het binnen twee jaar realiseren van een dergelijke installatie redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd, overweegt de Afdeling dat onder omstandigheden in het kader van de toepassing van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer financiële omstandigheden een rol van betekenis kunnen spelen, doch dat het daarbij moet gaan om de vraag of, gezien de financiële situatie van een bepaalde bedrijfstak in het algemeen, bepaalde voorzieningen kunnen worden geëist; de vraag wat de financiële draagkracht van een individuele inrichting toelaat, kan geen rol spelen. Appellante heeft in haar beroepschrift noch ter zitting aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële situatie van de papierverwerkende industrie in Nederland in het algemeen zodanig is dat het voorschrijven van een sprinklerinstallatie binnen een periode van twee jaar redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd. Overigens kan uit het plan van aanpak, waarin een gedetailleerde tijdsplanning is opgenomen, worden afgeleid dat het mogelijk is dat een sprinklerinstallatie uiterlijk twee jaar na het van kracht worden van de vergunning wordt gerealiseerd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op het belang van de bescherming van de veiligheid van de directe woonomgeving, een langere termijn dan de reeds gegeven termijn van twee jaar niet aanvaardbaar is. 2.4.5. Voorzover appellante betoogt dat de inrichting vergelijkbaar is met inrichtingen die vallen onder het Besluit opslag goederen milieubeheer en het Besluit houtbewerkende bedrijven milieubeheer - waarin volgens haar geen verplichting tot het realiseren van een sprinklerinstállatie is opgenomen treft dit betoog geen doel. Het bevoegd gezag is niet gehouden bij het beoordelen van een vergunningaanvraag aansluiting te zoeken bij deze Besluiten, die algemene regels bevatten voor inrichtingen waarvoor ingevolge artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer de vergunningplicht niet geldt. Vaststaat dat de onderhavige inrichting wel vergunningplichtig is, zodat het gestelde in deze Besluiten niet op de inrichting van toepassing is. 2.4.6. In hetgeen appellante overigens naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling evenmin grond om aan te nemen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 1.4.1 tot en met 1.4.4 nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu. 2.5. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.P.H. Donner, Leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat. w.g. Konijnenbelt w.g. Broodman Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2000 204-334. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,