
Jurisprudentie
AB0002
Datum uitspraak2000-11-09
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers98/8253 AW
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers98/8253 AW
Statusgepubliceerd
Uitspraak
98/8253 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Bestuurscommissie Scholengemeenschappen openbaar voortgezet onderwijs Leeuwarden en omgeving, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden op 24 september 1998, onder nummer 97/91 AW, gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nog nadere stukken toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2000. Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr P.H. Redeker, advocaat te Leeuwarden.
II. MOTIVERING
Bij het in geding zijnde bestreden besluit van 5 december 1996 zijn de bezwaren ongegrond verklaard die appellant had gemaakt tegen het besluit om hem met ingang van 1 oktober 1996 wegens plichtsverzuim ontslag te verlenen uit zijn functie van leraar [vakgebied] in vaste dienst van de scholengemeenschap [school].
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 5 december 1996 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd merkt de Raad allereerst op dat hij de conclusie van de rechtbank en de overwegingen die tot deze conclusie hebben geleid, onderschrijft.
De Raad overweegt voorts nog het volgende.
Aan de totstandkoming van het ontslagbesluit kleven niet zodanige gebreken dat op grond daarvan geoordeeld zou moeten worden dat dit besluit niet genomen had mogen worden.
Het gedrag dat gedaagde appellant aanwrijft is op grond van de gedingstukken, waarvan in het bijzonder de eigen verklaring van appellant, genoegzaam komen vast te staan. Dit gedrag was het gedurende langere tijd onderhouden van een seksuele relatie met een aan de zorgen van appellant toevertrouwd pleegkind, tevens zijnde een leerlinge van appellant.
De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat dergelijk gedrag uitsluitend de privésfeer van appellant raakt. Het gaat hier om grensoverschrijdend gedrag dat ook zijn weerslag heeft op het functioneren van appellant als leraar [vakgebied].
Het geven van ontslag behoort tot de eigen bevoegdheid van het betrokken bestuursorgaan. Met het geven van ontslag behoefde dan ook niet gewacht te worden totdat de strafrechter appellant had veroordeeld.
Appellant heeft er met juistheid op gewezen dat de aangevallen uitspraak is gegeven met overschrijding van de in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vermelde termijn. Die omstandigheid leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De Raad overweegt daartoe dat niet gebleken is dat de uitspraak (overigens) in strijd met regels van een goede procesorde tot stand is gekomen, terwijl appellant door de overschrijding niet in zijn processuele belangen in hoger beroep is geschaad.
Gelet op het vorenstaande, en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr J.C.F. Talman en mr M.M. van der Kade als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 november 2000.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) D. Boers.
HD
16.10
Q