Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA5342

Datum uitspraak2000-01-14
Datum gepubliceerd2000-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersWET 97/2696-DLD
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: WET 97/2696-DLD Uitspraak In het geding tussen het Hoogheemraadschap van West-Brabant, gevestigd te Breda, eiser en de Minister van Verkeer en Waterstaat, de hoofdingenieur - directeur van de Rijkswaterstaat, directie Zeeland, verweerder. 1. Overwegingen Bij besluit van 29 februari 1996 heeft verweerder het peilregime voor het Volkerak/Zoommeer vastgesteld. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 april 1996 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 april 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 20 mei 1997 bij de rechtbank te Breda beroep ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 8:8 van de Algemene wet bestuursrecht is de zaak ter behandeling overgedragen aan de rechtbank te Rotterdam, waar het Waterschap Goeree - Overflakkee op 15 mei 1997 tegen hetzelfde besluit beroep had ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 18 augustus 1997 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 1999. Namens eiser waren aanwezig mr W.J. de Zeeuw en P. Polak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Hoek, ir J.A.W. Verweij en B.A. Hitijahubessy. 2. Overwegingen Verweerder heeft op 25 september 1995 onder andere aan eiser een ontwerppeilbesluit, als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de Waterhuishouding (hierna: de WWH), betreffende het Volkerak/Zoommeer toegezonden. In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure ingevolge afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft eiser bij schrijven van 13 oktober 1995 zijn zienswijze ter zake kenbaar gemaakt. Hij heeft - voor zover hier van belang - verklaard het Rijk, als dit voor langere tijd vast zou houden aan een zomerpeil van 0,10 m - NAP verantwoordelijk te houden voor de noodzakelijke verdiepingskosten ad f 18,5 miljoen, alsmede de kosten voor oeverbescherming ad f 3,6 miljoen. Daarbij is gesteld, dat er voldoende termen aanwezig zijn om de kosten te zien als een gevolg van de Deltawet, waarbij 100% subsidie past in plaats van een schadevergoeding naar billijkheid ingevolge artikel 40 van de WWH. Het Rijk is ook aansprakelijk gesteld voor eventueel noodzakelijke baggerkosten van havenbeheerders. Verweerder heeft in zijn besluit van 29 februari 1996 met betrekking tot onder andere de door eiser naar voren gebrachte bezwaren overwogen: " dat de kosten voor herstel waterinlaat (....)door het Rijk op grond van redelijkheid en billijkheid zullen worden vergoed. Voor overige kosten voortvloeiend uit het peilbesluit zal een zelfde gedragslijn worden gehanteerd. Met betrekking tot het verlenen van een eventuele schadevergoeding kan overigens worden opgemerkt, dat artikel 3:4 van de Alge-mene wet bestuursrecht, respectievelijk artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding daartoe de nodige waarborgen biedt. Daarbij bepaalt laatstgenoemd artikel, dat aan degene die als gevolg van het vaststellen van een peilbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet op andere wijze voldoende is verzekerd, op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding wordt toegekend. Onder meer het Hoogheemraadschap van West-Brabant gaat er in haar zienswijze vanuit, dat eventueel door dit waterschap te treffen voorzieningen als gevolg van het te nemen peilbesluit voor 100% voor rijksrekening komen, zulks op grond van de Deltawet. Met betrekking tot dit punt wordt opgemerkt, dat een formele koppeling tussen de Deltawet en de hier aan de orde zijnde Wet op de waterhuishouding ontbreekt. Het eventueel treffen van voorzieningen en de daaruit voortvloeiende kosten kunnen slechts worden beoordeeld in het licht van het hiervoor toegelichte artikel 40." In het door eiser op 3 april 1996 ingediende bezwaarschrift heeft hij zijn standpunten herhaald. Met betrekking tot de toepasselijkheid van de Deltawet heeft hij het volgende aangevoerd. "Wij achten voldoende termen aanwezig om de bovengenoemde kosten te zien als een gevolg van de uitvoering van de in artikel 1 van de Deltawet bedoelde Deltawerken. Op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 5, derde lid, van deze wet gaan wij er dan ook van uit dat de door ons te treffen voorzieningen ter aanpassing van bestaande waterstaatswerken dan wel nieuwe vervangende werken voor 100% voor rekening van het Rijk komen.(...) Immers, dit peilbesluit is niet te beschouwen als een zelfstandige maatregel, maar houdt direct verband met de wijze van uitvoering van de Deltawet met betrekking tot het Krammer-Volkerak en de Brabantse rivieren c.a. Uw stelling dat een "formele" koppeling tussen de Deltawet en de Wet op de waterhuishouding ontbreekt, is dan ook niet relevant. Bovendien voldoet deze afwijzing van ons beroep op toepassing in deze van de Deltawet niet aan de uit de Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende motiveringsverplichting." Eiser heeft het bezwaarschrift doen toelichten op een hoorzitting op 21 juni 1996. Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder andere het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 augustus 1996 (AB 1996/435) vastgehouden aan zijn stellingname dat de schade op basis van artikel 40 van de WWH zou worden afgewikkeld, waarbij de procedure gevolgd zou worden van de Regeling Nadeelscompensatie Rijkswaterstaat van 19 december 1991. Eiser blijft van oordeel dat de Deltawet hier van toepassing is. Ook verweerder heeft aan zijn zienswijze vastgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelijk aan verweerders zijde. Allereerst merkt zij op, dat in artikel 1 van de Deltawet bepaald wordt, dat ter beveiliging van het land tegen hoge stormvloeden werken worden uitgevoerd tot afsluiting van zeearmen en daarmee in verbinding staande wateren en tot versterking van hoogwaterkeringen. Artikel 3, tweede lid, voegt daaraan toe, dat als als gevolg van de uitvoering van de werken bedoeld in artikel 1 van die wet voorzieningen moeten worden getroffen ter aanpassing van bestaande waterstaatswerken of nieuwe werken tot stand gebracht moeten worden, zulks geschiedt door de beheerders of degenen, die daartoe uit anderen hoofde verplicht zijn. Artikel 5 houdt dan een regeling omtrent betaling van de kosten van zulke werken in. Eiser neemt het standpunt in, dat het hier gaat om een aanpassing van een deltawerk, omdat dit niet geheel naar wens functioneert. Verweerder is van mening, dat het peilbesluit weliswaar betrekking heeft op een situatie, die als gevolg van uitvoering van deltawerk is ontstaan, doch niet als uitvoering van de Deltawet kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling, dat het hier om een als gevolg van een deltawerk noodzakelijk geworden voorziening zou gaan niet houdbaar. De Deltawet heeft betrekking op een in beginsel eindig aantal werkzaamheden. Met de voltooiing van die werkzaamheden verliest de wet zijn betekenis. Nieuwe beslissingen over wenselijke aanpassingen van de door de Deltawet tot stand gebrachte toestand vallen niet onder de Deltawet, maar onder de WWH. Voor zover eiser als gevolg van het peilbesluit schade lijdt welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, is verweerder op grond van artikel 40 van de WWH op zijn verzoek verplicht hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe te kennen. Met de aan dit artikel te ontlenen aanspraak, die zonodig in rechte kan worden geƫffectueerd, is in voldoende mate gegarandeerd, dat de voor eiser uit het peilbesluit Volkerak/Zoommeer voortvloeiende nadelige gevolgen in de zin van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet onevenredig zullen zijn in verhouding tot de met dat besluit gediende doelen. Het beroep van eiser moet nu dan ook ongegrond verklaard worden. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding. 3. Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep ongegrond Deze uitspraak is gedaan door mr W.E. Doolaard als voorzitter en mrs T.L. Tan en E.I. van den Bos - Boomsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr M. Traousis - van Wingaarden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2000. De griffier: De voorzitter: Afschrift verzonden op: Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.