
Jurisprudentie
AA5309
Datum uitspraak2000-01-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersWET 97/2251-DLD
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
ZaaknummersWET 97/2251-DLD
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM
Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Reg.nr.: WET 97/2251-DLD
Uitspraak
In het geding tussen
het Waterschap Goeree - Overflakkee, gevestigd te Middelharnis, eiser
en
de Minister van Verkeer en Waterstaat, de hoofdingenieur - directeur van de Rijkswaterstaat, directie Zeeland, verweerder.
1. Overwegingen
Bij besluit van 29 februari 1996 heeft verweerder het peilregime voor het Volkerak/Zoommeer vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 april 1996 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 8 april 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 15 mei 1997 beroep ingesteld.
Verweerder heeft bij brief van 4 juli 1997 een verweerschrift inge-diend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 1999. Namens eiser waren aanwezig J.H.E. Brouwer en ing. B. de Vries. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Hoek, ir J.A.W. Verweij en B.A. Hitijahubessy.
2. Overwegingen
Verweerder heeft op 25 september 1995 onder andere aan eiser een ontwerppeilbesluit, als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de Waterhuishouding, betreffende het Volkerak/Zoommeer toegezonden.
In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure ingevolge afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft eiser bij schrijven van 23 oktober 1995 zijn zienswijze terzake kenbaar gemaakt.
Hij heeft erop gewezen, dat in verband met de voorgenomen verlaging van het zomerpeil aanzienlijke maatregelen getroffen zullen moeten worden. De oprichtingskosten van een door hem noodzakelijk geacht inlaatgemaal heeft hij globaal geraamd op f 250.000,--. Voorts heeft hij gewezen op hogere exploitatiekosten. Tenslotte heeft hij verklaard, dat een aantal watergangen verruimd c.q. vergraven moet worden, hetgeen globaal f 125.000,-- zou kosten.
Hij heeft gesteld, dat in deze kosten - zijnde schade ten gevolge van het wijzigen van een peilbesluit - vanwege het Rijk zou moeten worden voorzien.
Verweerder heeft in zijn besluit van 29 februari 1996 met betrekking tot onder andere de door eiser naar voren gebrachte bezwaren overwogen:
" ..dat de kosten voor herstel waterinlaat (....)door het Rijk op grond van redelijkheid en billijkheid zullen worden vergoed.
Voor overige kosten voortvloeiend uit het peilbesluit zal eenzelfde gedragslijn worden gehanteerd. Met betrekking tot het verlenen van een eventuele schadevergoeding kan overigens worden opgemerkt, dat artikel 3:4 van de Alge-mene wet bestuursrecht, respectievelijk artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding daartoe de nodige waarborgen biedt. Daarbij bepaalt laatstgenoemd artikel, dat aan degene die als gevolg van het vaststellen van een peilbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet op andere wijze voldoende is verzekerd, op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding wordt toegekend."
In het door eiser op 11 april 1996 ingediende bezwaarschrift heeft hij het volgende aangevoerd.
"Door het peilbesluit lijdt ons waterschap derhalve schade. Deze schade dient gecompenseerd te worden. Ofschoon u hieraan in uw overwegingen aandacht schenkt had u onzes inziens in het besluit reeds aan moeten geven hoe u de schade meent te moeten compenseren. Daarover laat u zich noch in de overwegingen noch in het dictum uit."
Eiser heeft het bezwaarschrift doen toelichten op een hoorzitting op 21 juni 1996. Hetgeen daar namens eiser is aangevoerd heeft echter geen betrekking op het geschil zoals dat uit de bovenstaande standpuntbepalingen naar voren komt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder andere het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 augustus 1996 (AB 1996/435) vastgehouden aan zijn stellingname dat de schade op basis van artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding zou worden afgewikkeld, waarbij de procedure gevolgd zou worden van de Regeling Nadeelscompensatie Rijkswaterstaat van 19 december 1991.
In het beroepschrift geeft eiser aan, dat hij meent dat de schade ook bij de primaire besluitvorming en bij de heroverweging in het kader van de bezwaarschriftenprocedure aan de orde gesteld kan worden.
Nu bij het bestreden besluit niet op de schade wordt ingegaan acht hij dit in strijd met het bepaalde in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, kort gezegd inhoudende dat het bestuursorgaan de bij een besluit rechtstreeks betrokken belangen moet afwegen en dat de nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Verweerder heeft aan zijn zienswijze vastgehouden.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelijk aan verweerders zijde.
Voorzover eiser als gevolg van het peilbesluit schade lijdt welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, is verweerder op grond van artikel 40 van de Wet op de water-huishouding op zijn verzoek verplicht hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe te kennen.
Met de aan dit artikel te ontlenen aanspraak, die zonodig in rechte kan worden geƫffectueerd, is in voldoende mate gegarandeerd, dat de voor eiser uit het peilbesluit Volkerak/Zoommeer voortvloeiende na-delige gevolgen in de zin van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet onevenredig zullen zijn in verhouding tot de met dat besluit gediende doelen.
Daaraan doet niet af dat, zoals van de zijde van eiser ter zitting gesteld is, een vooraf toe te kennen schadevergoeding naar de ervaring leert vaak hoger uitvalt dan wanneer hij bij een beoordeling achteraf wordt vastgesteld. Wat daar ook van zij, daaruit kan in elk geval niet worden afgeleid, dat een achteraf vastgestelde schadevergoeding onevenredig laag zou uitvallen en mocht dat toch zo zijn, dan kan eiser - zoals gezegd - in bezwaar en beroep daartegen zijn argumenten terzake naar voren brengen.
Het beroep van eiser moet nu dan ook ongegrond verklaard worden.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.
3. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr W.E. Doolaard als voorzitter en mrs T.L. Tan en E.I. van den Bos - Boomsma als leden.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr M. Traousis - van Wingaarden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2000
De griffier: De voorzitter:
Afschrift verzonden op:
Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.