Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA3502

Datum uitspraak1999-02-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 97/322 ZW V12
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN SECTOR BESTUURSRECHT ENKELVOUDIGE KAMER Reg.nr.: AWB 97/322 ZW V12 U I T S P R A A K inzake het geschil tussen de maatschap A, gevestigd te B, eiseres, gemachtigde: mw mr drs A. Elgersma, advocaat en procureur te Groningen, en het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), als rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor Banken Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen, verweerder, gemachtigde: mr J.J. Scholtes, werkzaam bij GAK Nederland B.V. te Amsterdam. 1. PROCESVERLOOP Verweerder heeft bij besluit van 8 januari 1997, nr. c&r-pdi 025 111.666.98-01-, het door eiseres tegen zijn besluit van 6 december 1997 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard, onder handhaving van het besluit van 6 december 1996, waarbij eiseres voor het premiejaar 1995/1996 is ingedeeld in de premiedifferentiatieklasse extra hoog. Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 17 februari 1997, op nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld. Verweerder heeft op 20 maart 1997 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend. Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden. Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 18 december 1998. Voor eiseres zijn aldaar verschenen mr Elgersma voornoemd en J.G. Hiemstra en K. Stoepker. Verweerder heeft zich, zoals aangekondigd bij brief van 7 december 1998, ter zitting niet doen vertegenwoordigen. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek werd heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen ter reageren op de namens eiseres ter zitting overgelegde uitspraak. Bij brief van 6 januari 1999 heeft verweerder een reactie ingezonden. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan een afschrift ontvangen en heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt nader te reageren. Vervolgens heeft de rechtbank, aangezien partijen daartoe bij brieven van 2 februari 1999 respectievelijk 3 februari 1999 toestemming hadden verleend en er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding bestond tot nadere behandeling van het geschil ter zitting, op grond van artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kon blijven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. 2. RECHTSOVERWEGINGEN De feiten. Bij besluit van 6 december 1996 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij voor het premiejaar 1995 en voor de eerste drie maanden van het jaar 1996, gelet op het in de onderneming van eiseres in het jaar 1995 gerealiseerde ziekteverzuimcijfer, wordt ingedeeld in de premieklasse extra hoog. Door eiseres is tegen dat besluit bezwaar aangetekend bij brief van 23 december 1996. Aangevoerd is dat het in 1995 uitgekeerd ziekengeld een werknemer van eiseres betreft die reeds per 1 december 1994 is ontslagen. Eiseres heeft niet verzocht te worden gehoord. Bij besluit van 8 januari 1997 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, onder handhaving van het oorspronkelijke besluit. Eiseres kan zich met dat besluit niet verenigen en heeft aangevoerd dat het meetellen van het aan een exwerknemer van eiseres in 1995 betaalde ziekengeld tot een zodanig onredelijke situatie leidt dat verweerder een uitzondering zou moeten maken op het geldende beleid. Voorts is aangevoerd dat de onderhavige premievaststelling niet voldoet aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Beoordeling van het geschil. Artikel 6 EVRM. Gelet op de inhoud van het verweer zal de rechtbank allereerst het laatstgenoemde verweer van eiseres beoordelen. Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres, onder overlegging van een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Den Haag (USZ 1998/320), betoogd dat eiseres de "merits of the matter" als bedoeld in artikel 6 EVRM niet aan de rechter ter toetsing heeft kunnen voorleggen, omdat de werkgever niet in rechte heeft kunnen opkomen tegen de toegekende ziekengelduitkering. De premievaststelling is in zoverre in strijd met artikel 6 EVRM, zo is namens eiseres betoogd. De rechtbank overweegt het volgende. Op 1 januari 1998 is de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba) in werking getreden. Onderdeel van deze wet is dat de door werkgevers te betalen WAO-premies gedeeltelijk afhankelijk zijn gemaakt van de aan (voormalige) werknemers uitgekeerde WAO-uitkeringen in een bepaald jaar. De werkgever is daardoor aan te merken als belanghebbende bij WAO-besluiten. De voorheen in artikel 2a van de WAO opgenomen beperking van het belanghebbendebegrip is bij de invoering van de Wet Pemba ingetrokken. Werkgevers kunnen daarom, sedert 1 januari 1998, als belanghebbende beroep instellen tegen WAO-besluiten. De wetgever heeft er met betrekking tot WAO-zaken, uitdrukkelijk voor gekozen om voor werkgevers de mogelijkheid te openen om tegen toekenningen van WAO-uitkering beroep in te stellen, doch beroep uit te sluiten tegen premiebeslissingen (artikel 87e WAO). De uitspraak, naar welke door de gemachtigde van eiseres is verwezen, gaat over een overgangsrechtelijke kwestie, waarbij de betreffende werkgever nog geen beroep had kunnen instellen tegen de WAO-toekenning, omdat destijds artikel 2a WAO daaraan in de weg stond. Nu hij echter wel werd geconfronteerd met een premiebesluit waartegen hij geen beroep kon instellen omdat artikel 87e WAO daaraan in de weg stond, heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat sprake was van strijd met artikel 6 EVRM. De wetgever heeft ten aanzien van Ziektewetpremiebeslissingen, anders dan ten aanzien van WAO-premiebeslissingen, de keuze gemaakt om de werkgever het recht toe te kennen om daartegen in rechte op te komen. Niet gezegd kan worden dat de werkgever, en in casu: eiseres, door eerst tegen de premiebeslissing en niet reeds tegen de toekenning van de Ziektewetuitkering, op te komen de toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt ontzegd. Overigens is het blijkens het hiervoor geschetste stelsel van beroepsmogelijkheden in WAO-zaken –kortgezegd- ook slechts een keer mogelijk de rechter te adiëren. Op grond van vorenstaande overwegingen verwerpt de rechtbank het verweer van eiseres. Het premiebesluit. In artikel 60 van de Ziektewet, zoals dat ten tijde hier van belang luidde, is het volgende bepaald: 1. De bedrijfsvereniging stelt voor de groep of groepen van bij haar aangesloten werkgevers een ziekteverzuimcijfer vast. 2. De bedrijfsvereniging stelt voor de in het eerste lid bedoelde groep of groepen van bij haar aangesloten werkgevers een premie voor de ziekengeldverzekering vast. 3. Voor werkgevers die met inachtneming van door de bedrijfsvereniging te bepalen marges ten opzichte van het voor hen op basis van het eerste lid vastgestelde ziekteverzuimcijfer een hoger dan wel lager ziekteverzuimcijfer realiseren, stelt de bedrijfsvereniging een hogere respectievelijk lagere premie vast dan de op grond van het tweede lid vastgestelde premie. De bedrijfsvereniging kan voor een groep van werkgevers, die elk in een kalenderjaar aan de werknemers die tot hen in dienstbetrekking stonden tezamen ten hoogste vijf maal de gemiddelde loonsom per werknemer aan loon hebben betaald, bepalen dat het voor die groep vast te stellen ziekteverzuimcijfer voor de toepassing van dit lid geldt als het door elke tot die groep behorende individuele werkgever gerealiseerde ziekteverzuimcijfer. De gemiddelde loonsom en het door de werkgever betaalde loon worden berekend met toepassing van het maximum dagloon op grond van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. (....) 8. Bij de vaststelling van de ziekteverzuimcijfers, bedoeld in het eerste en derde lid, blijft in elk geval het ziekteverzuim buiten beschouwing gedurende de dagen waarover op grond van artikel 29a, eerste, derde, zesde en zevende lid, ziekengeld is uitgekeerd ter hoogte van het dagloon. 9. Bij toepassing van het derde lid, tweede volzin, stelt de bedrijfsvereniging voor de in het eerste lid bedoelde groep of groepen van bij haar aangesloten werkgevers de gemiddelde loonsom per werknemer in een kalenderjaar vast. 10. Met betrekking tot de vaststelling van de ziekteverzuimcijfers, bedoeld in het eerste en derde lid, alsmede met betrekking tot het bepaalde in het negende lid kan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming nadere regels stellen." Onder meer in zijn uitspraak van 11 mei 1994 heeft de Centrale Raad van Beroep (RSV 1995/236) reeds overwogen dat de premiedifferentiatie een categorale maatregel is, hoofdzakelijk gebaseerd op een statistische benadering van het ziekteverzuim, die bovendien uitvoerbaar moet zijn ten aanzien van grote aantallen werkgevers. In beginsel staat het de bedrijfsverenigingen, gelet op deze systematiek, vrij bij de uitvoering van de premiedifferentiatie bijzondere omstandigheden buiten beschouwing te laten, zij het dat er zich onder zeer bijzondere omstandigheden feiten van een zo zwaarwegende aard kunnen voordoen dat de beleidsen uitvoeringsregels met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten wijken voor een concrete weging van omstandigheden in een individueel geval. Eiseres beoogt met haar hiervoor geformuleerde grieven aan te geven dat er sprake is van dergelijke zeer bijzondere omstandigheden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het dienstverband met een werknemer reeds is beëindigd, geen omstandigheid is op grond waarvan het ten behoeve van die werknemer na het einde van dat dienstverband verstrekte ziekengeld buiten aanmerking dient te worden gelaten bij de vaststelling van het ziekteverzuimcijfer. De omstandigheid dat eiseres zich, hoezeer ook te waarderen, uitermate heeft ingespannen om de betreffende werknemer "binnenboord" te houden, heeft, gelet op het hiervoor aangeduide generieke karakter van het premiedifferentiatiesysteem, waarbij slechts de verhouding tussen het uitbetaalde loon en het uitbetaalde ziekengeld -ongeacht de oorzaakrelevant is, voor verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, geen aanleiding hoeven zijn om een uitzondering te maken, zoals door eiseres beoogd. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming aansluiting gezocht bij bestendige jurisprudentie in premiedifferentiatiezaken (onder meer: CRvB 11 mei 1994, RSV 1995/236; CRvB 15 februari 1995, RSV 1996/214; CRvB 7 juni 1995, RSV 1996/6). Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep wordt ongegrond verklaard. 3. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer, RECHT DOENDE, verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr M.W. de Jonge, rechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 18 februari 1999, in tegenwoordigheid van H. Siebers als griffier. De griffier, wnd. De rechter De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht. Afschrift verzonden op: typ:sv Reg.nr.: AWB 97/322 ZW V12